Hoogheemraadschap van Delfland

Het Waterbeheersplan 1999-2003

Korte samenvatting | inspraakreactie Initiatiefgroep

Korte samenvatting

Drie thema's staan in het nieuwe waterbeheersplan voorop:

  1. betere uitvoering van het bestaande beleid
  2. meer aandacht voor ecologie en natuur
  3. meer samenwerking met andere partijen

Betere uitvoering van het bestaande beleid heeft m.n. betrekking op het beter sturen van de waterhuishouding. Het scheppen van extra waterberging en het in ere herstellen van bergboezems als compensatie voor de steeds maar toenemende bebouwing van het Delflandse gebied is zo'n verbeteringsmaatregel. Ook het ontwikkelen van een computermodel voor een betere sturing van de gemalen behoort hiertoe. Verder worden de waterkwaliteitsmetingen beter in verband gebracht met de verbeteringsmaatregelen, zoals natuurvriendelijke oevers, waterbodemsanering en slootverdieping.

Diffuse lozingen van bestrijdingsmiddelen, meststoffen en zware metalen hebben in Delfland een grote omvang. Delfland gaat aan het terugdringen hiervan nu hoge prioriteit geven.

De vergrote aandacht voor natuur en ecologie markeert een overgang van incidentele naar structurele aandacht voor ecologie. De ecologische benadering vond tot voor kort plaats afzonderlijke projecten waren (bijvoorbeeld het herstel van de Ackerdijkse Plassen en van de Haagse Beek), voortaan wordt het geïntegreerd in de normale werkzaamheden. Experimenten met ecologisch beheer van dijken, kaden en watergangen hebben laten zien dat het bijdraagt aan de ontwikkeling van de natuur zonder dat het nadelig is voor de watervoerende en waterkerende functies. Ook voor flexibel peilbeheer schrikt men niet meer terug. Dit alles betekent ook dat er aanpassingen moeten komen in de beheersvoorschriften ("de keur"): dat moet een groene keur worden.

Door meer en betere samenwerking met de partners in de streek hoopt Delfland zijn taken beter uit te kunnen voeren. Goed waterbeheer is niet alleen een zaak van de waterbeheerder. Die samenwerking kan de vorm hebben van een gezamenlijk waterplan, zoals het geval is met het Haagse waterplan (in 1999 afgerond) en het waterplan Delft. Voor het opstellen van een waterkansenkaart die Delfland wil maken om de mogelijkheden en beperkingen van de watersystemen aan te geven, is ook al een goede samenwerking met gemeenten en provincie nodig.


inspraakreactie Initiatiefgroep van de Initiatiefgroep, december 1997

Betreft: commentaar op concept-notitie WBP 99

Aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Delfland, Postbus 3061, 2601 DB Delft

 

Geacht college,

Van de discussienota WBP 99 heeft onze groep met meer dan gewone belangstelling kennis genomen. Het waterbeheer en de waterschapswereld zijn volop in beweging, nieuw beleid, voor zover al niet in uitvoering, is op komst. Wij hopen dat het Hoogheemraadschap zich bij deze vernieuwingen niet onbetuigd zal laten, met name op terreinen die het Delflandse gebied bijzonder maken: verstedelijking en glastuinbouw. De notitie werpt tal van herkenbare vragen op, die aanknopingspunten bieden voor zulke vernieuwing.

De bestudering van de notitie heeft bij ons het volgende commentaar op specifieke punten losgewoeld.

pag. 9-10 • Ecologisch onderhoud en structuurspoor

Ecologisch onderhoud en structuurspoor zijn nauw met elkaar verbonden. De inrichtingsmaatregelen die in het begrip 'structuurspoor' zijn opgenomen, zouden veel van hun werkzaamheid verliezen als het onderhoud er niet bij werd aangepast. Het omgekeerde is evenzeer van toepassing.

Met de natuurlijke zuivering (via opneming en afbraak van nutriënten en organische stoffen in oeverbegroeiingen bijvoorbeeld) kan zelfs bij een redelijk hoge belasting van het oppervlaktewater een opmerkelijke bijdrage worden geleverd aan de waterkwaliteit. Onze eigen ervaringen op dat punt (via het nemen van monsters van waterorganismen) hebben onze laatste twijfels weggenomen: het structuurspoor werkt.

Maar er zijn andere gunstige effecten, die voor ons zwaar tellen: goedkopere en betere oeverbescherming, versterking van natuur en landschap, mooi en helder water.

Er is één ongunstige kant: het ruimtebeslag. Maar wie deze winst- en verliesrekening overziet, moet wel tot de slotsom komen dat het geven van ruimte aan water en oevers de moeite waard is. Het is mede de taak van het hoogheemraadschap om gemeenten, bedrijfsleven (en zeker niet alleen het agrarisch deel ervan) en burgers hiervan bewust te maken, want het kan inderdaad niet zo zijn dat het Hoogheemraadschap alle kosten van het structuurspoor zou moeten dragen.

Omdat de praktijk van alledag is dat op nieuwe woning- en bedrijvenlocaties en glastuinbouw projecten op grote schaal aan het waterspoor voorbij wordt gegaan, is een luid en duidelijk signaal dringend gewenst. Dat signaal zou kunnen bestaan uit een vergunningstelsel voor onwelkome oeververdedigingen.

pag. 11 • Waterplannen, nat structuurplan

Waterplannen kunnen, hoe vrijblijvend het instrument in wettelijk opzicht ook is, een nuttig hulpmiddel zijn om de samenwerking met gemeenten te verbeteren en nieuwe inzichten over het waterbeheer over te dragen. Het regeringsvoornemen over de Vierde Nota Waterhuishouding, in het bijzonder de paragraaf over stedelijk water, is een geschikte kapstok voor het leggen van zulke contacten. De relatie met de gemeenten kan verder worden vergemakkelijkt door &endash; tijdelijk &endash; een stimuleringsregeling in te stellen voor het afkoppelen van schone oppervlakken (zie ook p. 14/15). Het waterschap Regge en Dinkel is daarin al voorgegaan.

Door rioolbeheer, overstorten, verhardingen, omgang met regenwater, het structuurspoor en ruimtelijke ordening e.d. met elkaar in verband te brengen, kan de vaak gefragmenteerde aanpak van waterzaken door gemeenten worden doorbroken. In dat verband moeten zo mogelijk ook de diffuse bronnen een plaats krijgen, want gemeenten hebben via (duurzaam) bouwen en verkeers- en vervoersbeleid daarop enige invloed.

Of het natte structuurplan daarbij "een gedetailleerde beschrijving van het watersysteem in een bepaald gebied" moet geven, betwijfelen we. Om het overleg met gemeenten te doen slagen is een open opstelling nodig, en het te zeer aansjorren van de eisen staat zulk open overleg zeker in de weg.

pag. 11 e.v. • Peilbeheer, waterberging en grondwater

Peilbeheer

Het vasthouden van een deel van het winterse neerslagoverschot in (delen van) polders waar dat gelet op de ligging, inrichting en functies mogelijk is, zien wij als een goede mogelijkheid de waterkwaliteit in het gebied te verbeteren. Behalve natuurgebieden komen ook recreatiegebieden (waarvan de oppervlakte in Delfland nog steeds toeneemt) voor deze opslag in aanmerking.

Met zulk peilbeheer kan een bijdrage geleverd worden aan het terugdringen van het weerbarstige probleem van de verdroging, maar er zijn ook nog andere bijkomende effecten. Zo is peilbeheer met grotere fluctuaties beter voor de oevervegetaties en daarmee voor de oeververdediging. Een ander voordeel is dat een groter deel van het oppervlaktewater geschikt wordt als gietwater voor de agrarische sector.

Waterberging

De grotere beheersbaarheid van het Delflandse waterstelsel, die door de automatisering van gemalen en de nieuwe berekeningsmethode, tot stand komt betekent tevens dat er grotere marges in het kwantiteitsbeheer ontstaan. Wij hebben al geluiden opgevangen dat die marges moeten worden benut om bijvoorbeeld de eisen voor minimaal benodigde berging te verminderen. Dat lijkt ons tegen het licht van de voortschrijdende verharding van het Delflandse gebied en de landschappelijke degradatie volkomen onverantwoord. Voor het kwaliteitsbeheer en het structuurspoor is dringend ruimte nodig, en daaraan moet die marge worden besteed.

Grondwater

Vooruitlopend op een toekomstige taak van het waterschap op het gebied van het grondwater vinden wij een behandeling van grote grondwateronttrekkingen in het nieuwe waterbeheersplan voor de hand te liggen. Door een helder beeld te schetsen van de hoeveelheden waarom het gaat, de effecten op het freatische grondwater en de kwelstromen, de effecten op kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater, ontstaat een kader waarbinnen kan worden gezocht naar een antwoord op de vraag hoe op middellange en lange termijn met deze onttrekkingen moet worden omgegaan.

pag. 13 • Diffuse bronnen

In de openingszin van deze paragraaf wordt opgemerkt dat de waterkwaliteit nog veel te wensen overlaat, ondanks de hoge rioleringsgraad en vergunningdichtheid. Zonder al te cynisch te willen klinken veroorloven we ons de opmerking dat de vergunningverleningen veelal slechts een regulerend karakter hadden en geen sterk emissiereducerend effect hebben gehad. Zg. 'gesloten systemen' blijken dikwijls toch nog grote volumes water met verontreinigingen op het oppervlaktewater te lozen. Hoe dit ook zij, dit verhaal behoort bij de puntbronnen.

Wat de diffuse bronnen betreft menen wij dat het hoogheemraadschap zich niet op alle terreinen die tot de diffuse bronnen gerekend worden, tot lobbyen en het geven van voorlichting hoeft te beperken. De uitgelokte jurisprudentie wat betreft gewolmaniseerde schoeiingen is een goed voorbeeld van een geslaagd, brongericht beleid.

Op het gebied van diffuse bronnen van de agrarische sector kan aangehaakt worden bij diverse initiatieven, zoals PAREL en het convenant glastuinbouw.

PAREL is een implementatieplan voor de akkerbouw (zie ook Het Waterschap 97/21), waarbij de Noord- en Zuid-Hollandse kwaliteitsbeheerders zijn betrokken. Ook Delfland kennelijk. Middels dit plan, dat op het punt van controle en handhaving zeker niet vrijblijvend is, worden spuitvrije zones van 1,5 meter gerealiseerd. Dat is een hele stap vooruit, ook wat betreft de ecologische structuur in het cultuurland. Wij zouden graag zien dat het hoogheemraadschap actief met PAREL aan de slag ging, ook al is het akkerbouwareaal in Delfland niet bijster groot. Wij zien er bovendien een opstap in naar een dergelijk accoord met de veehouderij-sector, waar de diffuse verspreiding van nutriënten nog veel te groot is.

De WVO biedt wellicht weinig mogelijkheden om de diffusie van bestrijdingsmiddelen die doorgaans de atmosferische route doorlopen, aan te pakken. Het zijn vooral deze stoffen die in concentraties voorkomen die in geen verhouding staan tot de grenswaarden.

Het convenant glastuinbouw en m.n. de bedrijfsmilieuplannen bieden die mogelijkheden wellicht wel. Wij menen dat Delfland bij uitstek in de positie is om zich bij de uitwerking van het convenant op dit punt sterk te maken. Dan kan de dreiging dat bij toepassing van BMP's de "waterkwaliteit op achterstand" wordt gezet, worden gekeerd.

De glastuinbouwsector heeft overigens de neiging zich te verstrikken in een oude kwaal: de grootschaligheid van nieuwe glastuinbouwgebieden is al even bedreigend voor de milieukwaliteit als de oude concentratiegebieden.

Een ander speerpunt (maar dan inderdaad puur in de sfeer van lobbyen en voorlichting) van Delfland moet o.i zijn het terugdringen van bestrijdingsmiddelen (hier kan al helemaal geen sprake zijn van het eufemisme 'gewasbeschermingsmiddelen) bij gemeenten en burgers. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen door sommige gemeenten (Delft heeft het al in 1990 afgeschaft) heeft veelal betrekking op kruiden in verhardingen. Eindhoven geldt hier als voorbeeldgemeente, waar na een schrikbarende verontreiniging van de Maas met diuron® systematisch gewerkt is aan een integrale oplossing. Niet alleen wordt daar het verhard oppervlak beperkt (waardoor de overblijvende verharding intenser belopen wordt en waar verharding is, het oppervlak nauwkeuriger wordt gesloten), het hele voorval is aangegrepen om een plan op te stellen waarbij grote oppervlakken in de stad worden afgekoppeld van het rioolstelsel. 'A blessing in disguise' was dat diuronschandaal, zogezegd.

Zodra verder een goede behandeling (met inert materiaal dus) van zinken dakvlakken en -goten beschikbaar is dient Delfland via voorlichting de toepassing van zulke materialen te stimuleren.

pag. 14 • Riolering van glastuinbouwgebieden

De scepsis ten aanzien van riolering als panacee voor de waterkwaliteit in glastuinbouwgebieden, die uit dit stuk spreekt, delen wij. Algehele riolering van de glastuinbouw lost weliswaar de eutrofiëring in het gebied op, maar slechts zeer gedeeltelijk de diffuse verontreiniging van het gebied met bestrijdingsmiddelen. Het milieurendement van deze dure oplossing is daardoor maar zeer beperkt, en dan zien we nog af van hetgeen de rioolwaterzuiveringsinstallatie vermag met sommige bestanddelen van geloosde stoffen. M.a.w.: brongerichte maatregelen blijven in beeld.

pag. 15 • Herziening keur

Uit hetgeen we opmerkten onder "ecologisch onderhoud" en "structuurspoor" hebt u kunnen opmaken dat ook wij een herziening van de keur toejuichen. Er een goede, werkbare formulering voor vinden waar het waterschap, de schouwmeesters en de onderhoudsplichtigen in de praktijk mee uit de voeten kunnen, is geen eenvoudige opgave. We doen de suggestie om, net als met de ontwikkeling van ecologisch verantwoord onderhoud van boezemkanalen is gebeurd, een nieuw concept eerst te beproeven in een van de districten.

Vertrouwend u hiermee van dienst te zijn geweest, tekent

Met vriendelijke groeten,

Namens de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft,

 

J.E. Schievink

netplek Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | ind@datadelft.com