bezwaar tegen aanvraag kapvergunning dec. 2004

Discussiebijdrage Delftse Post 19-02-07

homepage Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

 

 

 

 

 

inventarisatie 1990 van de planten

overzicht van de broedvogels in de jaren 1980 - 1999

Stedelijk groen wordt doorgaans geassocieerd met min of meer intensief onderhoud. De stedelingen kunnen zich nauwelijks voorstellen dat tuinen, plantsoenen, bosschages of oevers zich een jaar, laat staan decennia lang zonder ingrijpen kunnen ontwikkelen. Sterker nog, stedelijke groenvoorzieningen zijn er dikwijls op ontwórpen dat zij moeten worden onderhouden. Gebeurt dat onderhoud niet, dan spreekt de burger van verwaarlozing, en de hovenier van verwildering, achterstallig onderhoud of zelfs van "slijtage" van het groen. "We" hebben er zelfs een gewoonte van gemaakt om onderhoud als onmisbaar te zien voor natuurgebieden, waar biodiversiteit veelal alleen kan worden gehandhaafd door via "extensief beheer" de natuurlijke successie terug te zetten, bijvoorbeeld om de eutrofiërende stoffen af te voeren.

Dat het achterwege laten van maaien, snoeien, kappen, plaggen etc. (activiteiten die in ander stedelijk groen worden uitgevoerd dat het een aard heeft) tot interessante resultaten kan leiden, laat de Delftse Wallertuin zien. In deze stedelijke overhoek van ca 2 hectare is elke vorm van onderhoud nu al tientallen jaren achterwege gebleven. Daar is de autonome, ongestoorde ontwikkeling van flora en fauna regel, en dat betekent o.a. dat afstervende kruiden en beschadigde en zelfs omgevallen bomen niet worden "gecorrigeerd". Dat schept omstandigheden waarvan de fauna profiteert. De levenscyclus van wilde organismen wordt er niet verstoord door de neiging om alles netjes te houden en zg. slordigheden op te ruimen. Door die natuurlijkheid vormt het terrein een krachtige kanttekening, een contrapunt zelfs, bij de (stedelijke) cultuur.

Over de bijzondere kwaliteiten en de natuurwaarden van de Wallertuin zijn zowel bij de GB-plannen van 1970 als bij een heroplevende bestuurlijke belangstelling voor het gebied rond 1990 rapporten opgesteld (Deelstra (1988), bureau Nieuwland i.o.v. de gemeente Delft (1992)).

Korte geschiedenis en stedenbouwkundige betekenis

Toch was de start van de Wallertuin allerminst "natuur", maar een grote, zeer gecultiveerde tuin, aanvankelijk niet alleen van de familie Waller, maar ook van twee tuinen van verschillende families Tutein Nolthenius. De tuin kon worden ingericht op een terrein dat ontstond nadat in 1893 het Rijn-Schiekanaal was gegraven. Het nieuwe tracé schiep a.h.w. een stedelijke 'overhoek' dat door het nieuwe tracé van dit kanaal bij de binnenstad werd gevoegd. Dit overhoek-karakter bepaalt mede de stedenbouwkundige betekenis van het gebied dat het ook al door de unieke natuurlijkheid tot zo'n bijzondere plek in de stad maakt. Wie over de Reineveldbrug de noordelijke binnenstad benadert wordt bovendien getroffen door de allure die Wallertuin, Kalverbos en het silhouet van de oude stad aan deze entree geven.

De aanleg van de tuin is vermoedelijk in 1911 begonnen, met o.a. een rotstuin en enkele tuinhuizen waarvan nu nog restanten te vinden zijn.

Een klein, westelijk gedeelte van de tuin werd doorsneden door de oprit van de (overigens fraaie) Reineveldbrug, die in 1930 werd gebouwd. In 1970 werd deze oprit verbreed, waardoor nog eens een strook van 10 m breed in beslag werd genomen. In die periode was er ook beroering vanwege bouwplannen van Gist-Brocades in het gebied.

Natuurwaarden

De natuurwaarden van de Wallertuin zijn wat betreft vegetatie en broedvogelstand decennialang gevolgd en vastgelegd. Door eutrofiëring via atmosferische depositie en rioollek treedt in de vegetatie verruiging op. Opslag van esdoorn en woekering van bramen en Perzische bereklauw zijn daarvan een teken. In de poel heeft dit de vorm aangenomen van het verdringen van oever- en waterplanten door de overheersing door groen- en blauwwieren.

Door hun groei- en overlevingsstrategie (knolvorming, voorjaarsbloei) is de opvallende stinsenflora weinig gevoelig voor deze ongunstige ontwikkelingen. Een 13-tal soorten, die we tot deze groep rekenen, houdt in de tuin stand, met als opvallendste soorten de Gevlekte aronskelk (enkele individuen), Klein sneeuwklokje (duizenden exx.) en Voorjaarshelmbloem. (De meeste stinsenplanten behoren tot de families van de lelies en van de narcissen, maar de helmbloemen behoren tot de papaverfamilie).

Het bomenbestand is van oorsprong cultuurlijk-exotisch, met bijvoorbeeld paardekastanjes, okkernoten, goudenregens, maar de lindes, zomereiken, beuken, meidoorns, schietwilgen en esdoorns zijn inheems.

Op dit substraat heeft zich een opvallende broedvogelbevolking gevestigd. Karakteristiek zijn de holenbroeders, waarvan soorten als Grote bonte specht, Grauwe vliegenvanger en Boomkruiper kenmerkend zijn voor oud, opgaand loofbos. En nu - in 2001 - heeft ook de familie Sperwer er zich gevestigd.

inventarisatie 1990 van de planten

overzicht van de broedvogels in de jaren 1980 - 1999

Boomkruiper
Grote bonte specht
Pimpelmees
Winterkoning
Vogelkers
Beekpunge
Dagkoekoeksbloem
Gevlekte aronskelk
Met de gebruikelijke opsomming van planten en vogels is een gebied echter geenszins ecologisch gekarakteriseerd. Door de ongestoordheid krijgen schimmels (met paddestoelen als bloeiwijze), mossen en korstmossen (lichenen), en wat de fauna betreft, allerlei ongewervelden een kans. Deze basis van de natuurontwikkeling wordt in inventarisaties altijd onderbelicht omdat het betrouwbaar monitoren van deze lagen van het ecosysteem veel meer inspanning vergt, maar is in het geval van de Wallertuin, in al zijn onopvallendheid, van het grootste gewicht.

Ecologische verbindingen

De ecologische verbindingen met delen van de Delftse Hout waar opgaand wat ouder bos bestaat, zijn redelijk. M.n. die zangvogels die al te grote open ruimten zonder bomen of struweel niet oversteken (dit geldt niet voor de trektijd), kunnen via de tussenliggende groenstroken langs Tweemolentjesvaart en van de fruittuinen hun leefgebied uitbreiden. Beide gebieden hebben wat soorten van oudere bomen gemeen, zoals Grote bonte specht en Boomkruiper.

Via de oeverzones, fruittuinen en ruigten kunnen ook vliegende insecten vanuit de Delftse Hout de Wallertuin bereiken (en omgekeerd uiteraard). De waterverbinding kent in de vorm van het sluisje in de Tweemolentjesvaart een belangrijke barrière, maar die is in het verband met de Wallertuin niet al te relevant omdat de Wallertuin geen belangrijke, goed functionerende waterbiotoop kent. De maatregelen (zie hieronder) bij de poel moeten wel verbetering in deze situatie brengen, maar die natuurontwikkeling in een poel heeft toch een heel ander karakter (stilstaand water, aanvulling alleen door grondwater en regenwater) dan de flora en fauna van het stelsel Rijn-Schiekanaal/Tweemolentjesvaart. Niettemin behoort uitwisseling van vliegende insecten ook die met een binding aan water, tot de mogelijkheden (libellen en kevers bijvoorbeeld).

Probleemstelling

Hoewel de Wallertuin dus geen natuurlijke tuin is, laat de tuin wel zien wat "de natuur doet met" een zeer cultuurlijke tuin waar niet meer ingegrepen wordt. Tegelijkertijd is opvallend dat vele stadgenoten dit bijzondere karakter van de Wallertuin onderkennen en het beschermen van deze samenhang ondersteunen. Dat bleek ook nog eens bij de discussies in de gemeenteraad over het bestemmingsplan van de binnenstad (mei 2000). De betrokkenheid van veel burgers blijkt uit spontane blijken van bezorgdheid wat er met het gebied aan de hand is. Men verwijst dan naar de onduidelijkheden in de gemeentelijke discussies, en het plotselinge verschijnen van veel water nabij de oprit van de Reineveldbrug (naar later bleek als gevolg van de tijdelijke stopzetting van de onderbemaling).

De overgang naar een andere particuliere eigenaar was een extra reden voor vraagtekens bij de burgers over de toekomst van de Wallertuin.

Het zijn bovenstaande redenen die ons hebben aangezet een voorstel te doen voor enkele spaarzame, welgeplaatste inrichtings- en beheersmaatregelen, die evenwel het ongerepte karakter van de Wallertuin als geheel niet aantasten.

Gebiedsbeschrijving, inrichtingsmaatregelen en onderhoud

De kwaliteit van de natuur en daarmee ook van de natuurbeleving door de stedelingen wordt vooral bepaald door de grote variatie aan biotopen in een klein gebied. Er komen bijvoorbeeld drie totaal verschillende bostypen voor, een poel, een sloot, en een bramenstruweel.

Op enkele delen van de tuin gaan we hieronder nader in, om problemen te identificeren en oplossingen aan te reiken.

 A. Poel in de noordwesthoek

C. Kastanjebos

De poel is in de noordwesthoek is thans een soortenarme, zuurstofloze poel, die voor mens, plant en dier weinig te bieden heeft. De bodem van de poel is bedekt met een decimeters-dikke laag detritus (vergaan en half-vergaan bladval).

Om weer enige variatie in flora en fauna in en rond de poel tot stand te brengen is het nodig de gevolgen van deze - op zichzelf natuurlijke - ontwikkeling terug te zetten. Hiertoe moet de poel gebaggerd worden (tot een winterdiepte van 1,5 meter) en moet aan de zuidkant van de poel wat gesnoeid en gekapt worden, zodanig dat de lichtval in de poel ca. 2/3 van de hemelkoepel beslaat. Pas in die omstandigheden krijgen amfibieën en oever- en waterplanten weer een kans. Is eenmaal de oevervegetatie weer tot ontwikkeling gekomen, dan is er een natuurlijke barrière tegen het opnieuw inwaaien van bladval in de poel; onderhoud van de poel kan zich dan beperken tot eens per 8 tot 10 jaar baggeren en het openhouden van de zuidwest kant.


Het kastanjebos is weer een heel ander bostype dan bij B. is beschreven: een gesloten kroon van bomen zonder ondergroei. Dit romantische beeld heeft veel verwantschap met het klassieke beukenbos, en in deze sfeervolle omgeving is menselijk ingrijpen nog steeds volkomen overbodig.

B. Het vochtig bos nabij de oprit naar de Reineveldbrug

  

Het bos in de zuidwesthoek, aan de kant van de voormalige burgemeesterswoning, is van een Elzen-vogelkers type: vochtig bos. Als de waterhuishouding blijft wat het in de winter van 2000-2001 was, dan zal dit veranderen in een moerasbos, want de waterstand bevond zich er gedurig boven het maaiveld, ca. 70 cm boven het onderhoudspeil.
Er is wat voor te zeggen de verstopte drainage, die er decennialang de waterhuishouding en dus het vegetatietype heeft bepaald, als een gegeven te aanvaarden en de ontwikkeling naar een of ander type nat bos zich te laten voltrekken. Ons voorstel is niettemin de ontwatering weer te herstellen, evenwel niet door herstel van de al te kunstmatige drainage maar door een simpele ondiepe greppel van de vijver naar de afgrenzende sloot aan de noordkant en zo het bestaande bostype in stand te houden en het peil in de poel te beheersen. Omdat in het vochtige bos bovendien enige stakenvorming optreedt (armetierige, verticale ontwikkeling van de bomen), is onregelmatige kap van bijvoorbeeld de essen functioneel om de ontwikkeling van dit gedeelte enigszins bij te sturen in de richting van gevarieerd bos.

D. Problemen met het vuilwaterriool

  

De bezoeker van de Wallertuin wordt op plek D onaangenaam getroffen door stank van onverteerde faecaliën. Het is onloochenbaar dat hier iets met het vuilwaterriool aan de hand is. Dit is op zichzelf al reden het rioollek te verhelpen, maar ook de ongewenste eutrofiëring van de Wallertuin is reden het lek met spoed op te sporen en te dichten. Wellicht moet de gehele rioolloop in dit gebied worden herzien.

E. Open plek met bramenstruweel

  

Een interessant bos heeft een open plek. Het historisch onderzoek naar de natuurontwikkeling door de millenia heen heeft zelfs (Vera e.a.) opgeleverd dat het natuurlijke landschap van de lage landen halfopen is geweest, en zeker niet massief, aaneengesloten bos. De dynamiek in bossen in wisselwerking met wilde runderen zorgde daarvoor.

Zo'n open plek was er ook altijd in de Wallertuin, maar in de late 90-jaren is die enige open plek met die boeiende struweelrand van bramen geheel overwoekerd geraakt. Wij stellen voor een open plek van ca 300 m2 door terugsnoeien van de bramen te herstellen.

F. Slootkant aan de noordkant

De Wallertuin heeft iets van een 'groen fort'. Wie over het pad langs het Rijn-Schiekanaal fietst, ziet de bosrand van de tuin aan de kanaalkant, maar krijgt geen verlokkende blik op wat zich erachter bevindt. Bij F, waar de sloot uitmondt in de ringsloot, zou een verbreding kunnen worden gemaakt, waardoor niet alleen deze 'opening' tot stand komt, maar vanuit de Wallertuin een visuele verbinding ontstaat met wat daarbuiten is.

Het verdient verder aanbeveling om de ringsloot te baggeren, want ook daar is het water zuurstofloos door een dikke laag slechts gedeeltelijk verteerd bladval. Omdat het onvermijdelijk is dat veel afstervend blad elk najaar in de sloot terechtkomt, is dit wel enigszins dweilen met de kraan open.

Samenvatting van de herstel- en onderhoudsmaatregelen

herstelmaatregelen

onderhoud

A. poel

- baggeren
-kapwerk aan zuidwestkant

- baggeren eens in de 10 jaar
- jaarlijks de helft van de oever- en waterplanten maaien

B Vochtig bos

- dunnen
- graven van ondiepe ontwateringsgreppel naar ringsloot

- eens in de 5 jaar dunnen herhalen
- jaarlijks greppel openhouden

C. Kastanjebos

- geen

 

D. vuilwaterriool

- lek dichten (inmiddels opgelost; 2002)

 

E. Bramenstruweel

- 300 m2 bramen verwijderen

- jaarlijks licht onderhoud om het woekeren van de bramen tegen te gaan
- open plek 2x per jaar maaien

F. Ringsloot

- scheppen van verbreding op de plaats waar het slootje in de ringsloot uitkomt
- baggeren ringsloot

- jaarlijks de helft van de oever- en waterplanten maaien
- baggeren eens per 5 jaar herhalen


Laatste wijziging: 17 december 2004
| ind@datadelft.com