Inspraakreactie Vierde Nota Ruimtelijke ordening Extra (VINEX)

Delft, 15 maart 1991

Betreft: VINEX

Inspraak Vierde nota Extra
Postbus 97611
2509 GA 's-Gravenhage

Voor een op de plaatselijke situatie in Delft geöriënteerd samenwerkingsverband als de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft zou er geen reden zijn om op een stuk als de Vierde nota Extra te reageren, als er niet een ruimtelijk beleid in werd ontvouwd dat voor Delft en omgeving zoveel betekenis heeft.

Wij spitsen onze reactie op twee aspecten toe; beide zijn te beschouwen als een aanscherping van het commentaar van de Stichting Natuur en Milieu te Utrecht, een commentaar waarbij wij ons verder geheel aansluiten.

Delft en omgeving staan als gevolg van verstedelijking (IPNRotterdam, Parkstad, Hoornse kwadrant e.a.) en een stormachtige groei van de glastuinbouw onder grote druk. Afbeelding 1 laat zien hoe zeer Delfland versteend en verglaasd is, hoe bekneld Midden-Delfland al is, hoe moeilijk ook de kwalitatieve en kwantitatieve waterhuishouding te voeren is. Dat dit alles volgens de Delftse Kamer van Koophandel (overigens niet gesteund door de vakbeweging) nog niet genoeg is, laat afbeelding 2 zien ("Delfland, agropool en technopool", december 1990). Dit plan is, misschien juist omdat het wat dit gebied betreft een karikatuur is van de VINEX, in dit opzicht verhelderend.

Afbeelding 1.

1. Glastuinbouw

In de VINEX (p. 81) wordt terecht gesteld dat een sterke compartimentering van ons land bezwaarlijk is. "Daarom hecht de regering er grote waarde aan de mogelijheden voor een meer geïntegreerde ontwikkeling van verschillende vormen van ruimtegebruik optimaal te benutten, en af te stemmen op ecologische kwaliteiten." Bij wat de nota daarna formuleert, nl. dat op het NMP+, het Natuurbeleidsplan en de Derde Nota Waterhuishouding met deze VINEX wordt voortgebouwd, moeten wij evenwel wat het Delflandse gebied betreft grote vraagtekens zetten.

Zo zal de wildgroei van glastuinbouw ten oosten van Pijnacker, waaraan (p. 85) alleen beperkingen worden gesteld vanuit het verstedelijkingsbeleid, korte metten maken met plannen voor een ecologische corridor tussen Midden-Delfland/Ackerdijk en het gebied van de Noord-Aa. De gele koers voor dit gebied staat dus op gespannen voet met het Natuurbeleidsplan.

Wij menen dat verdere areaaluitbreiding van de glastuinbouw ook op gespannen voet staat met het NMP+ en de Derde Nota Waterhuishouding. Hoewel de milieuhygiëne in de glastuinbouw wat betreft de bestrijdingsmiddelen betreft het dieptepunt gepasseerd lijkt (waarmee overigens de Delflandse waterbodems nog niet van het predikaat chemisch afval af zijn), is de milieubelasting door voedingsstoffen en ook afvalstoffen (ca. 150.000 m3 per jaar) eerder groeiende. Zelfs als de milieubelasting per bedrijf afneemt, dan nog wordt de vermindering door de nieuwvestigingen weer teniet gedaan. In dit verband is overigens ook het advies van de meerderheid van de Centrale Raad voor Milieuhygiëne van belang, dat immers inhoudt dat consumptie van glastuinbouwprodukten uit een oogpunt van energiebeleid zou moeten worden verminderd.

(plaatje volgt)

Afbeelding 2 - Delfland, agropool en technopool - plan KvK Delft e.o.

Door de areaaluitbreiding, voortgestuwd door de lage energieprijzen, toe te staan, wordt de glastuinbouw gestimuleerd de weg van de minste weerstand te kiezen en het 'goedkope' open landschap voor de expansie te gebruiken. Kapitaal, dat ingezet zou moeten worden voor sanering en optimalisering van produktie én het produkt, wordt dan afgeleid naar nieuwe locaties. Ten koste van het landschap en ecologische structuren wordt aldus de kans verkeken om middels instrumenten van ruimtelijk beleid de glastuinbouw te saneren en een goede positie voor de lange termijn te verzekeren. Als eenmaal de energieprijzen op een hoger niveau zullen zijn aangeland en de milieumaatregelen verder moeten worden aangescherpt, zullen de glastuinders de eersten zijn om de investeringen in de areaaluitbreiding te betreuren. Maar dan is het te laat. Het verantwoorde perspectief dat de VINEX de glastuinbouwsector wil bieden (p. 34 & 180) zal dan heel wat minder verantwoord blijken te zijn geweest.

Voorts willen wij hier ook niet onvermeld laten dat bij areaaluitbreidingen soms sprake is van grondspeculatie; soms wordt in kassen geïnvesteerd in de hoop te worden opgekocht voor stadsuitbreidingen. Behalve met een veel te hoge verwervingsprijs worden de gemeenten dan ook nog eens opgezadeld met bodemverontreiniging.

Het aangekondigde structuursschema landbouw, natuur en openluchtrecreatie zal o.i. in de richting van een stand-still van het glastuinbouwareaal aangepast moeten worden. Dat houdt o.i. ook in dat nieuwe glastuinbouwlocaties in de Randstad niet acceptabel zijn zolang de sector bewijst dat zij niet in staat is duurzaam te produceren. De regering schreef het al in de Miljoenennota 1991: een beter milieu eist een andere mentaliteit…

2. Verstedelijking

De prognose voor het aantal in de Randstad te bouwen woningen mag dan in enkele jaren met honderdduizenden verminderd zijn, een getal van 673.000 tot het jaar 2015 blijft onthutsend. De Stichting Natuur en Milieu heeft in een studie (juli 1990) aangetoond dat dit cijfer een overschatting inhoudt van 200.000 woningen. Maar ook daaraan valt o.i. nog te tornen. Het Delfts woonruimteverdelingsexperiment heeft geleerd dat de woningbehoefte in Delft vele jaren slechts een kleine 30% was van wat lange tijd werd aangenomen, een gegeven dat volgens de directeur van een Delftse woningcorporatie "als een rode vuurpijl" naar VROM zou moeten (NRC 13 maart 1991). Bij deze.

Bovendien is er een wisselwerking tussen de demografische ontwikkeling en het ruimtelijke ordeningsbeleid. Waar het ruimtelijk beleid uitsluitend wordt gepresenteerd als een resultante van demografische ontwikkelingen, is het onvolledig. Een goede illustratie hiervan is opnieuw de glastuinbouw. De werkgevers in die sector klagen over het gebrek aan arbeidskrachten, maar het is ook een publiek geheim dat men in die sector de voorkeur geeft aan immigranten, die met bescheiden loon en arbeidsomstandigheden kunnen worden afgescheept. Maar hierdoor neemt wel de immigratie (ongeveer een kwart van de bevolkingstoename) én de verstedelijking toe.

Van groter belang is nog de toename van de inheemse bevolking. In de demografische discussie zijn enkele jaren geleden (spook)beelden opgeroepen van een vergrijzende bevolking en een tekort aan actieven. Het is opvallend hoe snel het aantal geboorten is gestegen nadat deze discussie op gang is gebracht. Hebben we in Nederland jarenlang de overtuiging gehad dat Nederland al overvol was (geen buitenlander die het zal ontkennen) sinds kort lijkt die opvatting uit de mode, de wassende milieuproblemen en onze zorg over de groei van de wereldbevolking ten spijt. Waar de regering nog in 1977 van de Staatscommissie Bevolkingsvraagstuk het advies kreeg 'een zo spoedig mogelijke beëindiging van de natuurlijke bevolkingsgroei' te bevorderen, is de impliciete doelstelling nu bevolkingsgroei geworden. Illustratief hiervoor is ook de opstelling van de provincie Zuid-Holland, die wel ruimte laat voor het aantrekken van nieuwe economische activiteiten (en mensen) van elders, maar ook een beleid voert dat het wegtrekken van economische activiteiten (en mensen) tegengaat.

Tekenend voor deze collectieve dwaasheid is het betoog van ex-SER-lid mevrouw Hilda Verweij-Jonker (NRC 1 mei 1990), veelal een van de verstandigste geesten in dit land, die pleit voor snelle actie om de vruchtbaarheid van het Nederlandse volk omhoog te brengen. Kennelijk is het haar ontgaan dat zij daarmee het absurde standpunt inneemt dat een stabiele of teruglopende bevolking niet tot de mogelijkheden mág behoren.

Ook nota's als VINEX dragen aan deze trend bij door zonder blikken of blozen het verstedelijkingstempo nog minstens 25 jaar door te trekken.

Slot: een Delftse wending

Wij menen dat het ruimtelijk beleid grote mogelijkheden biedt om aan het milieubeleid, het natuurbeleid en zelfs sociaal beleid inhoud te geven en de samenleving op een duurzame manier in te richten. Dat geldt zeker ook voor de Delftse situatie. Een enigszins verstoorde verhouding met de omliggende gemeenten heeft bevorderd dat Delft moeite heeft om nieuwe woninglocaties te vinden. In veel opzichten is dat heilzaam. Het voorkomt dat men voortgaat op de weg van de minste weerstand en de stad verder uitstulpt in het open landschap. Er zijn vele tekenen die er op wijzen dat de geesten rijp worden voor nieuwe visies op de stad, in sommige opzichten zelfs een reconstructie, en tegelijk op de noodzaak van een rijkere stedelijke natuur.

Als dergelijke visies ook elders de overhand krijgen, dan is te voorkomen dat het Delftse milieu ten ondergaat aan de links en rechts oprukkende verglazing en asfaltering (A4!) en aan de boven en onder oprukkende verstedelijking. Dan zal een van de parels van Holland, bloeiend en toch duurzaam centrum van technologie en natuur, niet in een mêlée van steen, asfalt en glas verdwijnen, zoals eens Delfshaven in Rotterdam. "Toekomstwaarde is gediend met duurzaamheid uit milieu-oogpunt, en met een beheerbare en flexibele ruimtelijke structuur" staat er in VINEX (p. 138). Wij klampen ons er maar aan vast.

Met vriendelijke groeten,

namens de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft, etc.

netplek Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | ind@datadelft.com