Rapportage Thijssevaart 1999

uitgebracht aan de Arbo- en Milieudienst van de TU Delft door Stichting Commissie Natuur en Milieu Delft

juni 2000

verslag 1998

verslag over 1997 (PDF, 160 Kb)

overzicht projecten TU-wijk

homepage Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

Een volledig verslag van 1999 kan op verzoek als pdf-bestand worden toegezonden (400 Kb); aanvragen bij ind@datadelft.com. De onderzoeken zullen in 2003 worden hervat.

Inleiding | Bevindingen | Observaties | Aanbevelingen

Inleiding

De natuurvriendelijke inrichting (middels onderwaterbeschoeiingen) van de Thijssevaart dateert van oktober 1994 (oostelijk deel) en februari 1995 (westelijk deel). Het gaat in totaal om 1700 meter oever.

Gegevensverzameling

De vastlegging van de waarnemingen is zodanig dat in latere jaren aanvullende analyses van de natuurwaarden en de milieukwaliteit zijn uit te voeren. Van de vegetatie zijn immers niet alleen de soorten opgetekend, maar ook de mate van voorkomen (abundantie), resp. voor de monsterstrook als voor de gehele oever.

Het hier toegepaste beoordelingssysteem beperkt zich tot het water. Analyses van de natuurontwikkeling, bijvoorbeeld via analyses van plantenassociaties en/of berekening van natuurwaarden kunnen alsnog plaatsvinden. Over de ontwikkeling van flora en fauna beperken wij ons tot globale opmerkingen en observaties.

Beoordelingssysteem

Een volledige toepassing van het STOWA-beoordelingssysteem vergt dat bij de verzameling van de gegevens ook macrofauna en epifytische diatomeeën (kiezelwieren) op soortniveau worden gedetermineerd - een opzet die ambities van dit verslag te boven gaat. Een partiële toepassing (door bijvoorbeeld alleen macrofyten in het systeem in te voeren) brengt enig extra onnauwkeurigheid met zich mee wat betreft de waterkwaliteitsbeoordeling, maar achten wij in het kader van dit verslag acceptabel; de beoordelingssystematiek laat daar overigens ook enige ruimte voor. De grotere onnauwkeurigheid en ook het weglaten van enkele belangrijke karakteristieken (m.n. saprobie) kan ook al voor lief worden genomen omdat het Hoogheemraadschap van Delfland de Thijssevaart in het kader van een vierjarige onderzoekcyclus in zijn programma heeft opgenomen. In dat kader is de Thijssevaart in 1997 voor alle onderdelen van het STOWA-systeem door het hoogheemraadschap bemonsterd; dat zal dus in 2001 opnieuw gebeuren.

Bevindingen

Beoordeling

Het STOWA-beoordelingssysteem onderscheidt de volgende kwaliteitsniveaus:

I beneden laagst

II laagst

III middelst

IV bijna hoogst

V hoogst

De berekening met de vegetatiegegevens vn 1999 levert de volgende beoordelingen op:

Thijssevaart west:

karakteristiek

kwaliteitsniveau '97

(beoordeling Delfland '97)

kwaliteitsniveau '98

kwaliteitsniveau '99

trofie

III

II

II

III

waterchemie

III

III

III

III

structuur

IV

III

V

III

variant-eigen karakter

II

III

II

II

Thijssevaart oost:

karakteristiek

kwaliteitsniveau 1997

kwaliteitsniveau '98

kwaliteitsniveau '99

trofie

III

II

II

waterchemie

III

III

III

structuur

III

IV

III

variant-eigen karakter

III

III

II

De gegevens over de macrofauna zijn samengevat in de volgende tabel:

monsters

I en II

III

IV

V

VI en VII

VIII en IX

X

sommatie

datum

16-7

id.

id.

id.

id.

id.

id.

groep

Thijssevaart oost

Thijssevaart oost

Thijssevaart oost

Thijssevaart oost

Thijssevaart oost

Thijssevaart oost

Thijssevaart oost

Thijssevaart oost

Bloedzuigers

4

3

2

2

1

3

2

5

Borstelwormen

2

1

-

-

-

-

-

2

Haften

5

4

4

5

5

4

6

6

Karperluis

-

-

-

-

-

-

-

Kevers

-

3

2

3

4

1

3

5

Kokerjuffers

1

3

1

3

4

4

-

5

Libellelarven

2

2

2

4

4

4

4

5

Mijten

7

7

6

6

6

6

6

7

Muggelarven

4

-

-

3

3

3

3

5

Platwormen

-

1

-

-

-

-

-

1

Slakken

2

3

-

2

2

1

-

4

Vliegelarven

-

-

-

-

-

-

-

Vlokreeften

4

2

5

-

-

-

1

5

Wantsen

4

5

5

3

4

4

5

6

Waterpissebed

-

2

-

4

4

3

2

5

Waterspin

-

1

-

2

-

-

-

2

aantal groepen

(14)

Na gebruik van de tabel van de biotische index komt de beoordeling uit in klasse II.

klasse

B.I.

beoordeling

code

I

9-10

weinig tot niet verontreinigd

blauw

II

8-7

weinig verontreinigd

groen

III

6-5

verontreinigd; kritische toestand

geel

IV

4-3

zwaar verontreinigd

oranje

V

2-1

zeer zwaar verontreinigd

rood

VI

0

zeer zwaar verontreinigd

zwart

De Thijssevaart is met dat al te rekenen tot het middelste kwaliteitsniveau. Het bevestigt opnieuw dat een eutroof water, mits goed beheerd en met een goede oeverstructuur, een zeer goede vegetatiestructuur en een veelsoortige macrofauna (zie tabel 1b) kan bestaan.

Kanttekening bij de bemonstering

Bij de bemonstering van de macrofauna moest om praktische redenen worden afgeweken van de voorgeschreven gedragslijn. Het oostelijke gedeelte van de oevers van de Thijssevaart kent een dermate dichte begroeiing met helofyten dat geen watermonsters genomen kunnen worden zonder de vegetatie te beschadigen. Daarom werd over een een grotere lengte dan 50 meter bemonsterd en wel op de schaarse plekken waar zich een opening in de vegetatie bevond.

In de westelijke Thijssevaart vormde zich in de zomer opnieuw een kroosdek; op die plaats werd het opnemen van de macrofauna wederom zinloos: de dieren zijn verdwenen (de macrofauna die kan vliegen, zoals volwassen wantsen en kevers gaan in zulke omstandigheden op de wieken). De macrofauna-monsters werden daarom genomen op plaatsen waar geen kroosdek aanwezig was..

Bovendien is de monstername in dit verslagjaar wat het westelijk deel betreft beperkt gebleven tot de voorzomer; door het plaatsen van een hek werd de toegankelijkheid vanaf juni zo problematisch dat we meenden de werkzaamheden niet te kunnen voortzetten. Bij de aanbevelingen komen we op deze zotte situatie terug (aanbeveling 2.3)

Observaties

Algemeen ommentaar; successie en beheer

De beoordeling van de karakteristiek structuur van de westelijke Thijssevaart en van de oostelijke Thijssevaart leverde deze keer een gelijk cijfer op. De macrofauna in het oostelijke deel kende wel nog steeds een rijkere variatie, terwijl de vegetatie juist in het westelijke deel meer variatie vertoont. De conclusie dat ook een betrekkelijk smalle oeverzone bij de onderwaterschoeiing dus dankbare resultaten opleveren, blijft in stand (zie aanbeveling 3.2).

Waar de oevervegetatie zich vanaf de aanvang stabiel ontwikkelde, lijkt nu, na 5 jaar, ingrijpen nodig. De riet- (en ook enigszins de lisdodde en heen-)begroeiing breidt zich massaal landinwaarts uit en dreigt daardoor de begroeiing van het talud met tal van soorten die betrekkelijk weinig biomassa vormen, weg te concurreren. Tegelijkertijd wordt deze uitbundige begroeiing aan de waterzijde door de ophoping van afgestorven delen (de zg. strooisellaag) verstikt en al enigszins verdrongen door ruigtekruiden, m.n. het Harig wilgeroosje. Hier komt de oeververdedigende rol van de vegetatie dus in het gedrang.

In het beschaduwde deel, tegenover het terrein van WL Delft en waar de oevervegetatie zich veel langzamer ontwikkelde en in de eerste jaren enige erosie optrad, is juist sprake van een gevarieerder wordende begroeiing. Ruwe smele en Scherpe zegge vormen hier opvallende elementen in een vegetatie waar nu toch ook Riet en Lisdodde bijdragen aan de gevarieerde structuur. Onderwaterplanten (Grof hoornblad, Tenger fonteinkruid en Gewoon sterrekroos) en veel jonge vis bevolken de plasbermen, al wordt deze ontwikkeling gestoord door langsdrijvende kroosvelden. Door toepassing van kroosbalken zal geprobeerd worden de kroosdekken te isoleren en uitbreiding te voorkomen (krooskan zich in drie dagen verdubbelen).

Onder het hoofdje "vegetatiestructuur" wordt meer in detail ingegaan op de verschillende patronen in deie structuur.

Waterdoorstroming en kwel

Het gebied waarin de Thijssevaart ligt wordt niet begunstigd door diepe kwel. De onttrekking van ca 13 miljoen m3 diep grondwater door Gist-Brocades NV vindt vooral in het zomerhalfjaar plaats; tijdens het groeiseizoen vindt in een gebied tot enkele km ten zuiden van Delft zijging plaats.

De afvoer van water via de Thijssevaart naar de vijzel bij de Rotterdamseweg is bescheiden. De ontwatering van de Zuidpolder van Delfgauw naar de boezem, waar de TU-wijk deel van is, verloopt hoofdzakelijk via de Karitaat Molensloot en de Balthasar van der Polweg.

Rietaanplant

Bij de aanleg van de oevers van (de helft van) het oostelijke gedeelte werd in oktober 1994 een strook van ca. 150 meter ingeplant met rietstekken. Bij het ontwerp werd overwogen dat, als ergens erosie in dit gedeelte zou kunnen optreden, het wel hier zou zijn.

Later bleek dat erosie op die plaats geen kans kreeg. Door de hoge ligging van het maaiveld ligt de noordelijke oever volkomen in de luwte, ook bij zuidwester storm.

Nog verrassender was het gedrag van de Rietstekken. Noch in het groeiseizoen 1995, noch in 1996 leken de planten aan te slaan. Vitale Rietplanten kwamen slechts in geringe dichtheden voor. In 1997 kwam deze aanplant tot volle wasdom en was een fraaie rietkraag ontstaan, die zich nu verder landinwaarts uitbreidt.

Effect van maaisel

In de zomer van 1995 werd maaisel uit de Maaslandse vlietlanden dunnetjes op de noordelijke oever uitgespreid met de bedoeling de verspreiding van streekeigen soorten te bevorderen. Deze maatregel heeft vooral effect gehad op de vegetatie boven de waterlijn. Daar treedt vanaf de winter 1995/96 met grote abundantie de Grote ratelaar op, terwijl ook de (toenemende) presentie van Dotterbloem en Reukgras opvalt. In kleine aantallen hebben zich Rietorchis, Moeraskartelblad (een aan veen gebonden zeldzaamheid, die na 1997 niet meer is teruggekeerd), Echte koekoeksbloem en Padderus gevestigd, die alle aan het maaisel zijn toe te schrijven.

Deze plantengemeenschap vertegenwoordigt een hoge natuurwaarde, die zelden buiten natuurgebieden is aan te treffen. Het lijkt erop dat deze levensgemeenschap zich goed kan handhaven als de dominantie van de grote helofyten als Riet en Lisdodde door beheersmaatregelen wordt beteugeld.

Het maaisel heeft aan de oevers van de vijver bij Werktuigbouwkunde een soortgelijk effect gehad. Soorten als Rietorchis, Echte koekoeksbloem, Grote ratelaar en Dotterbloem hebben er zich gevestigd.

Ontwikkeling van flora en fauna

De vegetatie van oevers en water is in vergelijking met 1999 niet soortenrijker geworden. Er was eerder sprake van een lichte teruggang in het aantal soorten. Omdat er geen zomerwaarnemingen zijn gedaan en typische zomerbloeiers over het hoofd kunnen zijn gezien, moet deze observatie met een korrel zout worden genomen.

verdwenen: Grote waterweegbree, Smalle waterpest, Viltige basterdwederik, Platte rus, Gele plomp, Tenger fonteinkruid, Rode waterereprijs, Moerasvergeetmijnietje, Blaartrekkende boterbloem, Tandzaad spec

verschenen: Tweerijige zegge, Pluimzegge, Scherpe zegge

afgenomen: Pinksterbloem, Veelwortelig kroos, Grote lisdodde, Wolfspoot

toegenomen: Padderus, Rietorchis, Grote ratelaar, Sterrekroos, Watermunt

Vegetatiestructuur

(Voor de met een hoofdletter aangeduide plaatsen langs de oever verwijzen wij naar Figuur 1.)

In het oostelijk deel van de Thijssevaart is een oeverbegroeiing ontstaan die nog steeds tamelijk homogeen is. De smalle strook tussen waterlijn en onderwaterschoeiing is bezet door planten met een verticale groeistrategie, die bovendien veel biomassa vormen en de oever goed vastleggen: Riet, Grote lisdodde, Heen en, in mindere mate, Harig wilgeroosje. De vegetatie is bovendien zo dicht geworden, dat het moeilijk is vanaf de landkant monsters te nemen.


Winterbeeld van de oostelijke Thijssevaart, februari 2000. De landinwaartse uitbreiding van Riet is duidelijk te zien.

In het westelijk deel is het beeld gevarieerder. In de stroken D, E en F is een begroeiing van de plasberm ontstaan die niet aaneengesloten is, maar een boeiende afwisseling te zien geeft van groepen helofyten en van open gedeelten, waar onderwaterplanten en jonge vis volop te vinden zijn. Dit beeld doet zich nu ook voor in strook G, H en I.

Behalve de plantensoorten die in het oostelijk deel de oever vastleggen vervullen hier ook Liesgras, Kleine lisdodde, Gewone waterbies en Moerasandoorn deze rol. Precies op de waterlijn komen ook betrekkelijk veel Pitrus, Waterzuring, Ruwe smele en Dotterbloem voor met enkele exemplaren Waterscheerling. Kale jonker, Riet, Pitrus en Liesgras koloniseren breiden boven de waterlijn gestaag uit.

Figuur 1. De verschillende zones (A tot en met N) van de Thijssevaart.

In de Thijssevaart ontwikkelt zich elke zomer in de diepere gedeelten een fraaie vegetatie van Watergentiaan. Deze drijfbladplant belemmert de waterdoorvoer nauwelijks en draagt er door de beschaduwing van de waterkolom toe bij dat kolonisatie door helofyten en onderwaterplanten weinig kans krijgt.

Waar zich een kroosdek voordoet, moet watergentiaan terrein prijs geven. Op enkele plaatsen langs de Thijssevaart nabij de insteek van het profiel, treedt woekering van Akkerdistel op.

Verlanding en erosie

Ondanks de homogene vestiging van helofyten in de plasberm van het oostelijke gedeeelte van de Thijssevaart is de plasberm er nog niet 'verland': tussen de stelen van de planten is nog ruimte, waar vis kan paaien en waar zich jonge vis en macrofauna kunnen ophouden.

In het westelijke stuk heeft hier en daar wel verlanding plaatsgevonden. Door een combinatie van vegetatieontwikkeling en aanslibbing is ter plaatse de waterlijn opgeschoven tot aan de onderwaterschoeiing.

Deze schoeiing blijkt een effectieve (én qua onderhoud goedkope!) manier om kolonisatie van dat gedeelte van de watergang, dat tot het watervoerende doorsnede behoort, te vertragen. De meeste helofyten vinden het 'afstapje' kennelijk te groot. Helofyten als Kleine lisdodde en Heen, die ook in dieper water kunnen staan, maken wel aanstalten tichting sloot uit te breiden.

Vijver Mekelweg

De oevers van de vijver Mekelweg 2 zijn in de zomer van 1999 voor het eerst op planten geïnventariseerd (zie Tabel 3). Hoewel er aquatische soorten voorkomen, zijn het bijna uitsluitend planten van de waterlijn. In de plasberm en in het water van de vijver heeft zich dus nog geen ecologische ontwikkeling van betekenis voorgedaan. Daarom ook is de macrofauna nog niet bemonsterd.

Aanbevelingen

Onderzoek: vegetatie-, oever- en peilbeheer

Aanbeveling 1.1. De matige vegetatieontwikkeling op beschaduwde plaatsen ging de eerste jaren gepaard met oevererosie. Hoe die erosie verloopt is op zichzelf het bestuderen waard. De erosie blijft beperkt doordat de oevervegetatie alsnog tot ontwikkeling komt. Aanbevolen wordt de natuurlijke ontwikkeling af te wachten.

Aanbeveling 1.2. Recent onderzoek (proefschrift John Lenssen, Nijmegen, dec, 1998)) bevestigde nog eens dat de oevervegetatie baat heeft bij een wat dynamischer peilbeheer. Dit heeft te maken met de mogelijkheid voor zaden om te kiemen op droogvallende plaatsen en de natuurlijke afvoer en afbraak van afgestorven delen (strooisel) in de winter.

De TU-wijk biedt goede gelegenheid om op dit aspect experimenten uit te voeren. Daarbij kan het best aansluiting worden gezocht bij het Hoogheemraadschap van Delfland, dat in zijn nieuwe beleidsplan (Waterbeheersplan 1999-2003) soortgelijke ambities heeft opgenomen.

Beheer

Op enkele plaatsen hebben zich als gevolg van gedrag van gebruikers of pachters ongewenste ontwikkelingen voorgedaan:

Maaibeheer

Nieuwe projecten

Volgens een in december 1998 getekend convenant zullen de TUD en de gemeente Delft samenwerken bij de TU-wijk ten zuiden van de Kruithuisweg. De verstedelijking van de TU-wijk zuid lijkt daardoor onafwendbaar; de kansen voor een vernieuwende en ecologische aanpak dienen te worden benut.

Aanbeveling 3.1. Het is zaak de reeds getroffen ecologische inrichtingsmaatregelen te beschermen en uit te breiden en ook op het gebied van het beheer de activiteiten goed met de gemeente af te stemmen. Aandacht voor deze onderwerpen in het convenantoverleg met de gemeente Delft is dringend nodig.

Aanbeveling 3.2. Gelet op de gunstige ontwikkeling van de oostelijke Thijssevaart (met een smalle plasberm) loont het de moeite om ook in situaties met weinig ruimte natuurvriendelijke oevers aan te leggen.

Vijver Mekelweg 2

Door de geïsoleerde ligging is een snelle, spontane bezetting van de plasberm met helofyten niet waarschijnlijk. Het uitleggen van maaisel uit de Vlaardingse vlietlanden (in 1997) heeft uitsluitend een gunstig effect gehad op de begroeiing op en boven de waterlijn.

Het beplanten van de plasberm is tot twee maal toe door ganzenvraat mislukt.

Aanbeveling 4.1. Het advies om in het voorjaar de plasberm droog te laten vallen is door toevallige omstandigheden gerealiseerd: het waterpeil is tot 1 juni 2000 ten behoeve van de nieuwbouw drastisch verlaagd. Het verdient in deze situatie aanbeveling om de ontwikkeling van de oevervegetatie (hoopvol) af te wachten.
Rietorchis en Grote ratelaar

Leen van Doorn, Jacques Schievink, 9 juni 2000