Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

samenwerking van Commissie Natuur en Milieu, Imkervereniging, IVN, Milieudefensie, Milieukompas, Natuurwacht, Vogelwacht en Werkgroep Groenbeheer Nootdorp-Leidschendam | contactadressen: Leen van Doorn, Bizetstraat 23, 2625 AV Delft, tel. (015)2561141, Gert Jan Majoor, Gandhilaan 67, 2622 GD Delft, tel. (015)2617728, Bertus Laros, Oostblok 160, 2612 PG Delft, tel. (015)2140836 en Jacques Schievink, Maerten Trompstraat 17, 2628 RB Delft, tel. (015)2617035 (werk: (015)2782124; fax (015)2787585; e-mail ind@datadelft.com | website: www.datadelft.com/~ind

Technopolis

Links:

TU-wijk

Thijssevaart

openingspagina Initiatiefgroep

Delft, 18 juli 2004

Betreft: commentaar MER en voorontwerp bestemmingsplan

College van Burgemeester en Wethouders
Gemeente Delft
Postbus 78, 2600 ME Delft

Geacht college,

Het plan voor een bedrijventerrein in het TU-zuid gebied met de naam Technopolis biedt een uitnemende kans om het landschappelijke cliché van een verzameling onaantrekkelijke dozen-langs-een-snelweg te doorbreken. De opstellers van het MER en van het voorontwerp bestemmingsplan Technopolis zijn zich daarvan ook bewust geweest, blijkens een opzet met veel aandacht voor langzaam verkeer en openbaar vervoer (inclusief de tijdige aanleg van een trambaan), een indeling in 'buurten' met daartussen royale ruimte voor groen en natuur en bouwvolumes die niet meteen aan goedkope dozen doen denken.

De kaart van Delft en omgeving laat ook zien dat het gebied goed past binnen de stedelijk contour, waardoor het verlies aan open landschap beperkt blijft.

We moeten verder hopen dat een sterke werkgelegenheidsontwikkeling in het gebied per saldo de verkeersdruk in de omgeving (m.n. de A-13) niet navenant zal verhogen, o.a. omdat het mogelijk gunstige effecten zal hebben op het zeer grote Delftse woonforensisme.

De transformatie van een extensief gebruikt gebied als TU-zuid naar een tamelijk intensief gebruikt gebied met duizenden bewegingen per dag, gaat altijd gepaard met verlies van natuurwaarden. In dit geval is dat verlies te overzien, waarschijnlijk omdat in grote delen van het terrein de oorspronkelijke bodem al onder ophooggrond was verdwenen en de ligging,in ecologisch opzicht tamelijk geïsoleerd is. Het gebied is ingeklemd tussen grote barrières als de Kruithuisweg, de rijksweg A4 en de Karitaat Molensloot.

Op de terreinen water, bodem en natuur veroorloven wij ons wat meer uitgewerkte kritische kanttkeningen.

De verschillen tussen het Masterplanalternatief en het Meest Milieuvriendelijke Alternatief in het MER, ook die met het voorontwerp bestemmingsplan spitsen zich op die ondewerpen toe.

Terreinophoging en drooglegging

De keuze in het Masterplan voor niet-selectieve terreinophoging in het noordelijk deel en een drooglegging van liefst 1,4 meter ("benodigde" drooglegging genoemd) wordt in de tekst niet gemotiveerd. Het voorontwerp bestemmingsplan rept van een drooglegging van 1,1 meter. Ook dat is nog altijd zeer fors. In de discussie die over deze kwesties zal zijn gevoerd, wordt geen inzicht gegeven.

Oppervlaktewater, gebiedseigen watersysteem

De verschillende behandeling van het gebiedseigen watersysteem in het Masterplanalternatief (p. 84 MER) en het voorontwerp bestemmingsplan (p. 44) is opvallend. Het voorontwerp kiest voor een maximale peilfluctuatie van 30 cm, waar het Masterplan, bang voor koud water, al huivert bij 20 cm, daarbij op de koop toenemend dat de bergingsnorm niet wordt gehaald. Net als bij de terreinophoging vermoeden we dat de projectorganisatie al te gemakkelijk geneigd was om terug te grijpen op traditionele, niet-duurzame oplossingen.

Die grotere maximale peilstijging (toch zeker 30 cm) maakt de mogelijkheden van het gebiedseigen watersysteem en het voorkomen van afwenteling naar andere gebieden aanmerkelijk groter. Een grotere peilfluctuatie is voorts van niet te onderschatten belang voor de ontwikkeling van de kwaliteit van water en oevers. We komen daar bij 'natuurlijke zuivering' nog op terug.

Op p. 103 (MER) wordt voorgesteld om de waterhuishouding in het zuidelijk deel van het Technopolis-gebied (40%) te koppelen aan de Zuidpolder van Delfgauw en dàt te beschouwen als Meest Milieuvriendelijke Alternatief. Dat klopt natuurlijk niet. De Zuidpolder heeft nog immer een omgekeerd peilregime ('s-winters iets lager dan 's-zomers). Dat is ongeschikt voor de ontwikkeling van oevernatuur en voor het terugbrengen van de nutriëntgehaltes in bodem en water. De tekst van het MER is wel zeer inkonsekwent, want voor het noordelijk gedeelte wordt de loskoppeling van de Zuidpolder juist aangeprezen om een betere waterkwaliteit te kunnen bereiken!

De keuze voor één circulatiesysteem in het voorontwerp bestemmingsplan lijkt ons een juiste. Bij een gebiedseigen watersysteem is belangrijk dat de watervolumes zuiverende oeverzones en eventueel biezenvelden (langzaam) doorstromen. Dat is géén doorspoelen, doorspoeling treedt op door het aan de ene kant van de polder water in te laten en ergens anders weer uit te malen- dit rondpompen vermijd men met een gebiedseigen systeem.

Maatvoering watergangen

a- De tekst op p. 84 (MER) beschrijft de vormgeving van de watergangen en suggereert dat alle watergangen aan deze twee beschreven en natuurvriendelijke vormen voldoen. Maar op p. 103 wordt de lezer uit de droom geholpen wat de noordelijke 60% van het gebied betreft: "het oppervlaktewater bestaat uit vaarten en singels, een natuurvriendelijke inrichting heeft hier geen prioriteit, maar de nadruk in de optimalisatie wordt gelegd op de relatie met de bebouwing." Met dit soort ontwijkende formuleringen wordt wellicht bedoeld dat de oevers met het middel van fantasieloze en natuurvijandige beschoeiingen even recht zullen zijn als de dakranden van de gebouwen, zodat het vermoeide en uitgebluste ontwerpersgilde daar in ieder geval niet meer over hoeft na te denken.

In het voorontwerp bestemmingsplan (p. 51) ziet het er op dit punt beter uit, maar de tekst is ook daar niet zonneklaar: " Het streven is om alle oevers in het plangebied natuurvriendelijk aan te leggen, tenzij er omstandigheden zijn waardoor dit niet mogelijk is. Voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt een ondergrens aangehouden van 30% van de oevers. De Thijssevaart is en de Karitaatmolensloot worden ingericht als natuurvriendelijk watergang, gecombineerd met een ecologische corridor. Wisselend beheer waarborgt de diversiteit van de oevervegetaties."

Vragen die hierbij rijzen, zijn:

b- De keuze voor heel kleine watergangen van 1,5 en 2,5 meter breed, weliswaar voorzien van drasbermen (?), is even sympathiek als raadselachtig. Een bezwaar is dat zulke kleine watergangen kenmerkend zijn voor het agrarisch landschap, en in deze wijk weinig op hun plaats zullen lijken. Het MER geeft aan dat varend onderhoud daar niet mogelijk is, maar de vraag is tevens of het specifieke onderhoud voor zulke kleine watergangen in het beheersregime van Technopolis dan wel gegarandeerd is. Ecologisch bieden kleine watergangen overigens wel interessante mogelijkheden, vooral op het gebied van de macrofauna, amfibieën en ondergedoken waterplanten.

c. Voor diepe en brede sloten met plasberm wordt een diepte van 1 tot 3 meter gemeld. Meer dan 1 meter diepte is in de Hollandse polderwatergangen een grote zeldzaamheid, we nemen aan dat het hier om een vergissing gaat.

De mededeling dat de Thijssevaart met zijn oevers wordt behouden stemt tot tevredenheid (wij waren de inititatiefnemers van de herinrichting die in de winter van '94-95 plaatsvond), maar we tekenen er wel bij aan dat het projecteren van een grote keerlus voor de tramlijn op de kruising van de Thijsseweg (p. 95 MER) voor enige schrik zorgde, ook al stond het niet op de plankaart.

In het voorontwerp bestemmingsplan wordt op dit punt niet ingegaan voor zover we hebben kunnen nagaan, maar de plantekening (p. 6) suggereert dat de keerlus noordelijker is gelegd.

Natuurlijke zuivering

De actuele overschrijdingen voor stikstof en fosfaat van de MTR-waarden is resp. 2x en 6x (zie tabel 4.7, p. 58 MER). Door de verdere ontwikkeling van oeverzones zal m.n. het stikstofgehalte in bodem en water in de richting van de grenswaarden kunnen dalen. Door opneming van stikstof in veel biomassa vormende oeverplanten (waarvan jaarlijks ca 2/3 door maaien kan worden "geoogst"), maar vooral door een afwisseling van denitrificatie en nitrificatie kan veel stikstof uit het lokale milieu worden verwijderd.

De overschrijding van de grenswaarde voor fosfaat is niet alleen veel groter, ook de mogelijkheden om fosfaat te verwijderen zijn veel beperkter. Eigenlijk hebben we alleen verwijdering door biomassa tot onze beschikking. Er worden in de literatuur uiteenlopende cijfers genoemd, maar het lijkt verstandig uit te gaan van 40 kg P per ha oevervegetatie. Omdat om redenen van faunabeheer een deel van de afgestorven vegetatie overwintert, lijkt het ons redelijk om bij berekeningen uit te gaan van 30 kg P per ha. In plaats van het arbitraire "30% van de oevers natuurvriendelijk", behoorde het MER dan ook een berekening te bevatten van wat uit een oogpunt van natuurlijke zuivering nodig is. De vaak met estetische argumenten gevoerde discussie over natuurvriendelijke oevers kan dan een stuk zakelijker worden.

De uitgangspunten voor een oeverbeheer dat enerzijds de ecologische doelstellingen ernstig neemt, maar anderzijds toch ook het milieutechnische "rendement" probeert te realiseren, zijn voor Technopolis buitengewoon gunstig, vooral door de (met de seizoenen meebwegende) slootpeilen. Hierdoor doen zich in de oeverbodem afwisselend anaërobe (bij overstroming) en aërobe processen voor. Bovendien bevordert deze dynamiek de uitwisseling van water in de waterpartij en de oeverzone, wat ook al het milierendement verhoogt. Het is o.i. niet verantwoord deze kansen te laten lopen met het oog op de omgevingskwaliteit die door de Europese Kaderrichtlijn Water als resultaatverplichting zal worden opgelegd.

Voor een schatting van de mogelijke fosfaatverwijdering en de wenselijke omvang van de oeverzones zie hier.

Resterende ondewerpen

Enkele andere onderwerpen stippen we hier slechts aan.

1. De keuze voor een "harde" stadsrand in het Masterplanalternatief wordt niet onderbouwd. Wij stellen vast dat de Delftse stadsrand aan de kant van Midden-Delfland bijna overal minder smaavol is dan die van Vlaardingen en Schiedam.

Informatie over onze correspondentie met de Dienst Landelijk Gebied over de Kartiaat Molensloot vindt u in het document http://130.161.129.68/hlf/Karitaat.pdf (2.4 Mb). Wij hebben begrepen dat de DLG mede door de ontwikkeling van Technopolis weer interesse voor deze grote molensloot - als noordelijke begrenzing van het deelplan Abtswoude van de Reconstructie Midden-Delfland - heeft opgevat. Alle reden dus om de Karitaat Molensloot als zuidelijke afsluiting van het gebied gezamenlijk aan te pakken.

2. Men hoeft geen voorstander te zijn van milieuvriendelijke oplossingen om toch de zin in te zien van het voorkomen van veel bladval in watergangen. Op schetsen biedt zo'n waterpartij vaak een overtuigende aanblik, maar in de praktijk ontstaat al gauw een lelijke bak met groen water en veel bagger. Het in acht nemen van enige afstand van de begeleidende bomen tot de watergang en een opgaande oevervegetatie voorkomen dat het water alleen met extra onderhoud in goede staat kan blijven.

Slot

Wetenschappers en technologen kijken steeds vaker naar de natuur als inspriratiebron voor onderzoek en ontwikkeling. Nu kan het zijn dat een materiaalkundige buitengewoon geïnteresseerd is in de eigenschappen en structuur van draden van een spinneweb en daar briljante analyses en misschien wel producten aan ontleent, maar dat hij of zij toch thuis alles wat spin of mier is met wortel en tak uitroeit. Maar ook dié cultuur moet veranderen. Technopolis kan daar de belichaming van zijn. Niet alleen wat binnen de muren en glazen wanden in het gebied gebeurt is dan geïnspireerd door natuur en natuurwetenschappen, ook de buitenruimte biedt tal van kansen om aan innovatie te doen.

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent

Met vriendelijke groeten,

Namens de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

Jacques Schievink


reactie op startnotitie MER Technopolis

 

Delft, 6 april 2003

Betreft: Inspraakreactie over de Startnotitie M.e.r. Duurzame Ontwikkeling Technopolis Business Campus, Delft: Optimaliseren van Stromen

College van Burgemeester en Wethouders
Gemeente Delft
Postbus 78, 2600 ME Delft

 

Geacht college,

Het TU-zuid gebied, waar de bovengenoemde Startnotitie over gaat, heeft vanaf begin jaren '90 onze bijzondere aandacht gehad. Toen de TU Delft daar een programma van oeververnieuwingen begon uit te voeren dat zonder reserve het predikaat "ecologisch rampzalig" mocht dragen, kon dit nadeel in '94 in een voordeel verkeren: met veel lagere uitgaven per strekkende meter konden de betrokken diensten van de TUD worden gewonnen voor een duurzamer en bovenal ecologisch interessantere oplossing, die dan ook over de volle lengte aan de Thijssevaart &endash; helaas het laatste deel van dit programma &endash; werd uitgevoerd. Deze intussen wijd en zijd bekende natuurvriendelijke oevers van de Thijssevaart (zo door ons genoemd omdat Thijsseweg en Thijsseerf er naast liggen; de naamgever was dus J.Th. Thijsse, niet de befaamde natuurbeschermer, maar diens zoon die ooit WL Delft oprichtte) waren vervolgens de aanzet voor enkele andere projecten waarmee het "meeveren met de natuur" in de TU-wijk werd beproefd en een plaats in het onderwijs kreeg. Met de lancering van een megalomaan masterplan voor de TU-wijk werden verdergaande plannen om de natuur in deze onderzoek- en onderwijsomgeving in 1997 in de vrieskast gezet.

Het bewuste gebied heeft met de vestiging van de faculteit Geodesie en de ophogingen met bouwzand in de jaren '70 een rommelig karakter gekregen. Door de betrekkelijke rust kon men er af en toe verrassende fauna aantreffen, zoals marterachtigen en enkele kritische weidevogels. Het weiland juist ten noorden van de faculteit Geodesie kent verder een tegenwoordig tamelijk schaars geworden graslandvegetatietype van kamgras en veldgerst, en in enkele kleine boerenslootjes is zelfs Waterpunge aan te treffen. Desondanks zijn door de bank genomen afgezien van de oevers van de Thijssevaart de natuurwaarden gemeten naar de oppervlakte niet hoog, vermoedelijk vooral door het ontbreken van oorspronkelijke bodem aan de oppervlakte.

In de startnotitie begroeten wij te meer met instemming de aandacht (p. 16 bijvoorbeeld) voor de mogelijkheden om in een betrekkelijk blanco situatie ruime plaats te geven aan ecologische ontwikkeling te midden van hoofdzakelijk technologisch georiënteerde bedrijvigheid. Wij hopen dat in de uitwerking van alternatieven in het kader van de MER deze kant van duurzaamheid het volle pond krijgt, maar vinden het toch in de 5 punten waarop u in het milieueffectrapport de nadruk wilt leggen (zie p. 24) onvoldoende nadrukkelijk terug.

Een ecologisch ambitieuze anpak biedt voor Delft, stadsgewest en TUDelft gelegenheid om in de praktijk te laten zien dat waardevolle ecosystemen in stedelijke omgeving tot stand kunnen worden gebracht en dat dat ook voorwerp is van wetenschappelijk en technologisch onderzoek en onderwijs.

Het sluit aan bij wat in ons laatste verslag van de eclogische ontwikkelingen in en langs de Thijssevaart (zie http://www.datadelft.com/~ind/thijssevaart99.html) hierover werd opgemerkt: "Volgens een in december 1998 getekend convenant zullen de TUD en de gemeente Delft samenwerken bij de TU-wijk ten zuiden van de Kruithuisweg. De verstedelijking van de TU-wijk zuid lijkt daardoor onafwendbaar; de kansen voor een vernieuwende en ecologische aanpak dienen te worden benut."

Hoewel het misschien in het kader van zo'n startnotitie nog wat prematuur is, bepleiten wij nu reeds voldoend grote dichtheidsverschillen in de wijk. Het is niet zozeer de esthetische vrees voor suburbanisatie die ons dit doet opmerken, maar veeleer de behoefte aan variatie in de openbare ruimte. Door die variatie kan worden vermeden dat de ecologisch belangrijke elementen per se "lijnvormig" worden, waar toch ook behoefte is aan water-, moeras- en struweelpartijen van enige oppervlakte.

In de startnotitie dient o.i. ook aandacht te worden besteed aan de Karitaat Molensloot. Dat is nu een scherpe (voor spelevarende kinderen zelfs levensgevaarlijke) scheiding met Midden-Delfland, terwijl &endash; misschien wel juist in combinatie met nieuwe windmolens &endash; daar juist een aantrekkelijk overgangsgebied kan ontstaan. (N.B. de toezeggingen ooit door de Dienst Landelijk Gebied gedaan, zijn nog steeds niet ingelost of misschien wel in het vergeetboek geraakt).

Wij wachten het milieueffectrapport met spanning af.

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent

Met vriendelijke groeten,

Namens de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

 

Jacques Schievink