beginpagina Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | het overzicht van plannen en commentaren van de IND

Kritiek op de Structuurplannen van stadsgewest Haaglanden

weergave van de commentaren van

Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft / samenwerking van Commissie Natuur en Milieu, Imkervereniging, IVN, Milieudefensie, Milieukompas, Natuurwacht, Vogelwacht en Werkgroep Groenbeheer Nootdorp-Leidschendam / contactadressen: Leen van Doorn, Bizetstraat 23, 2625 AV Delft, tel. (015)2561141, Gert Jan Majoor, Gandhilaan 67, 2622 GD Delft, tel. (015)2617728, Bertus Laros, Oostblok 160, 2612 PG Delft, tel. (015)2140836 en Jacques Schievink, Maerten Trompstraat 17, 2628 RB Delft, tel. (015)2617035 (werk: (015)2782124; fax (015)2787585; e-mail ind@datadelft.com

Delft, 1 december 2005

Betreft: commentaar op "Met allure naar 2020", discussienota over het Regionaal Structuurplan Haaglanden

Geacht college,

graag sturen we u alsnog, ook al is het een dag te laat, ons commentaar op bovengenoemde discussienota. We konden helaas niet tijdig gelegenheid vinden onze reactie in te delen aan de hand van uw discussievragen, maar we vertrouwen erop dat zulks niet alte bezwaarlijk is.

Het zonder twijfel meest bemoedigende deel van "Met allure naar 2020" is het voorwoord. Portefeuillehouder Verkerk schrijft in één zin de kern op van de Haaglandse problemen. "Natuurlijk zullen we meer ruimte moeten maken voor woningen en bedrijven en moeten zorgen voor adequate bereikbaarheid, maar veel essentiëler voor de toekomst van de regio is hoe we de kwaliteit van het leefmilieu op peil weten te houden."

Hij kan het weten, want hij is tenslotte burgemeester van een kennisstad. Maar het is een boeiende strofe, die zich leent voor enige tekstanalyse

Eerst het eerste deel, "Natuurlijk zullen we meer ruimte moeten maken voor woningen en bedrijven en moeten zorgen voor adequate bereikbaarheid …", die onthullend is voor de vanzelfsprekendheid waarmee bouwen, bouwen en nog eens bouwen in deze streek beschouwd worden niet alleen als een natuurverschijnsel, maar ook als panacee voor de (doorgaans economische) kwalen. Na het innemen ervan vliegen de gouden eieren ons allen in de bek, en dan heeft iedereen tenminste voldoende middelen om de psychiater te kunnen betalen.

Voor de Haaglandse cultuur geldt dat sterker dan in andere regio's. Nergens in Nederland zijn de VINEX-opgaven zo uitputtend en destructief uitgevoerd als in het Haaglandse gebied. Het dreigt ook te gelden voor de komende 10 jaren, als we afgaan op de NIEUWE KAART van Nederland die gisteren - 30-11-2005 - gepubliceerd werd. In het Haaglandse gebied domineren op de themakaarten de donkerste tinten - de grootste investeringen - voor wonen en werken, en verontrustend lichte kleuren voor het areaal aan groen en natuur in 2015. De landschapsarchitect Adriaan Geuze heeft hier een spannende theorie over: " zou de verrommeling van dit deel van de zuidvleugel misschien niet alleen gevolg, maar vooral ook oorzaak zijn van het gebrek aan economische dynamiek in vergelijking met andere delen van de randstad?"

Het tweede deel van Verkerk's zinnetje is minstens zo interessant. "… maar veel essentiëler voor de toekomst van de regio is hoe we de kwaliteit van het leefmilieu op peil weten te houden." Hiermee wordt met een breed gebaar het amechtige, machteloze bouwen - bedoeld om ons met het opentrekken met blikken woningen en bedrijventerreinen uit de beweerde economische stagnatie te bevrijden - van de afgelopen decennia ter discussie gesteld. Zou de anomalie van de Nederlandse bevolkingsgroei en verstedelijking (bijvoorbeeld: de bevolkingsgrei sinds 1850 is in Nederland ongeveer 550%, die van België 200%; na WO-II is het verschil zo mogelijk nog scherper, nl. resp. 60% en 10%), gezien in een Europese context, dan toch tot de bestuurders doorgedrongen zijn? Zou die gekte dan toch ooit kunnen ophouden?

Helaas, het mooie schouwspel na deze fraaie aftrap blijft in de rest van de notitie nagenoeg geheel uit. Alleen wordt nog even de rethorische vraag gesteld over een bezinning op het groeitempo van de Haaglandse woningvoorraad en gesteld dat men het aanbod aan bedrijventerreinen 'bewust' schaars wil houden. Maar voor het overige geven de teksten en opgeworpen vragen nauwelijks gelegenheid om buiten voorspelbare paden te treden. Dat wil zeggen, accomoderen van de zin en onzin die blinde economische ontwikkelingen, verpakt in schijnbare, maar betwistbare statistische zekerheden, op de het regionale bestuur afvuren.

Het "keuzes" maken - in deze nota de sterke kanten van de streek (hoe origineel!) - betekent bovendien bijna altijd meer van het zelfde, meer van wat we al hadden. Het ándere is dan niet aan de orde, daar hebben "we" niet in geïnvesteerd of daar zijn "we" niet zo goed in. Deze aanpak is niet zonder risico, want werkt ook verstarrend en verkalkend. In het Westland zagen we daar in het verleden bizarre voorbeelden van: economische initiatieven die geen directe relatie hadden met glastuinbouw kregen domweg geen ruimte en vergunningen in een door ondernemers gedomineerd openbaar bestuur. Een ultieme poging tot diversificatie en ruimtelijke herordening (IOPW) is er ook al op gestrand. De nachtmerrie van een verragd en eenzijdig gebied ligt in grote omvang binnen het Haaglandse territoire, maar men ziet het niet … (Men vraagt zich wel eens af of het uiteindelijk verschil heeft gemaakt of er in Haaglanden ooit ruimtelijke ordening is geweest, want zoals u weet is die met de nota Ruimte opgeheven. )

Dat een belangrijk deel (de helft) van de virtuele en door verkeerde prikkels (hypotheekrenteaftrek, belangen van grondbedrijven e.a.) opgeblazen vraag naar woningen en bedrijventerreinen (de gevolgtrekkingen uit de gegevens op pags. 17 en 23 zijn gemakkelijk op de achterkant van een koe te schrijven) binnenstedelijk zal worden opgelost, stelt ons allerminst gerust. "Het binnenstedelijk groen zal worden ontzien" (p 12) en het buitengebied evenzeer, maar overtuigend klinkt dat alles niet, vooral niet omdat in concrete verdichtingsplannen die links en rechts voorbijj flitsen deze pretentie sneuvelt. Er is een bovengrens aan de stedelijke verdichting, niet alleen vanuit gezondheidsoverwegingen en leefomgevingskwaliteit, maar ook vanwege de extra mobiliteit en afwentelingseffecten die zich in te dicht bewoonde stadsdelen voordoen. De Raad voor het Landelijk Gebied veegt in zijn advies "Recht op Groen" (juni 2005) terecht de vloer aan met de versimpelde opvattingen die bij veel stadsbestuurders over de compacte stad bestaan.

Tenslotte nog enkele toegespitste opmerkingen, waarbij we de bladzijde aangeven waarop we de aanleding voor de opmerking aantroffen.

p7. Internationale speler: de internationale, cosmopolitische traditie in Nederland is in een paar jaar omgeslagen in een cultuur van zorgwekkende benepenheid. Het is de vraag of de internationale instellingen in Den Haag en Delft (IHE-UNESCO) zich er nog lang staande kunnen houden.

p7. De passage "waarin zorgvuldig ingericht groen zowel binnen als buiten de stad goed toegankelijk is." spreekt ons als karakterisering van een "groene regio met allure" niet erg aan. 'Zorgvuldig ingericht' is doorgaans een bij gemeentelijke beheerders, hoveniers en intergemeentelijke beheersorganisaties hetzelfde als cultuurlijk vertroeteld groen zoals bemeste rozenperkjes, de openbare ruimte als kleinburgerlijke tuin, en daar gruwen wij van. Het beheer, zeker voor de grotere eenheden, dient de zelfregulerende mogelijkheden van de natuur te ondersteunen.

p14. Tot onze grote blijdschap lanceert het stadsgewest de Oranjetunnel als onderdeel van een verkeersas van de A4 naar de A15. Door tegenstanders van de doortrekking van de A4 door Midden-Delfland is deze oplossing onophoudelijk aangedragen, zowel om Midden-Delfland te ontzien als om een effectief alternatief te bieden. Provincie en Rijkswaterstaat liepen hier immer met een grote boog omheen. Het alternatief wordt &endash; waarschijnlijk onbedoeld - door het stadsgewest erkend. Het is de doodsteek voor de doortrekking van de A4.

p17. Bedrijventerreinen kunnen behalve gerevitaliseerd ook gediversifieerd worden. De afstotende zeeën van rare dozen zouden kunnen worden verlevendigd door dubbel grondgebruik. Daarbij moet binnen Haaglanden vooral gedacht worden aan glastuinbouw op daken. Deze ontwikkeling kan gemakkelijk gestimuleerd worden door een plafond te stellen aan de som van het glastuinbouwareaal (au fond nu al een verzameling volkomen natuurvrije bedrijventerreinen) en "gewone' bedrijventerreinen.

p19. "Glastuinbouwgebied dat door verstedelijking verloren gaat compenseren." Ook een fraai voorbeeld van beschermen van wat nu machtig en succesvol is, maar toch niet zo duurzaam. We beschouwen de claims boven 10.000 ha glas in Nederland als burgerlijke ongehoorzaamheid, want eind jaren '90 is op basis van gedegen wetenschappelijk werk (van het LEI) vastgesteld dat een groter areaal ongewenst is.

p23. "Het is mede de verdienste van de bouwgemeenten dat de relatieve bevolkingsdaling tot staan in gebracht." Een onthullende passage. Bevolkingsgroei als maat voor welzijn en succes. In alle opwinding hierover vergeten onze bestuurders dat ze elkaar beloofd hadden iets aan duurzaamheid te doen.

En passant landjepikt het stadsgewest ook nog eens de Zuidplaspolder, en misschien ook de Hoekse Waard. Wij zeggen de Groningse waterschapsbestuurder Alfred van Hall na die het bestuur van de provincie Zuid-Holland naar aanleiding van de plannen met de Zuidplaspolder toevoegde: "shame on you!"

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent

Met vriendelijke groeten,

Namens de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

Jacques Schievink

Delft, 15 december 2001

Betreft: Ontwerp 31 oktober 2001 Regionaal Structuurplan Haaglanden

Dagelijks Bestuur Stadsgewest Haaglanden
Postbus 66
2501 CB Den Haag

Geacht college,

Het enigszins aangepaste ontwerp van de RSP is voor ons aanleiding tot nader commentaar. Wij geven het zo beknopt mogelijk weer.

§ 2.1 beleidsuitgangspunten

  • het uitgangspunt dat "Het vasthouden van de natuurlijke bevolkingsgroei in de regio met een gevarieerde samenstelling." wordt niet onderbouwd. Een vertrekoverschot wijst op een gebrek aan aantrekkelijke vestigingsomstandigheden voor mensen en instellingen, maar die zouden ook verband kunnen houden met bijvoorbeeld de gevolgen van een eenzijdig accent op economische ontwikkeling en bevolkingsgroei in de laatste decennia.
  • Het uitgangspunt van "hoog" tot de "top drie" meest aantrekkelijke regio's te behoren is tamelijk bespottelijk. RO is a) geen wedstrijd, b) het uitgangspunt is nauwelijks toetsbaar en c) de effecten van het RSP op die aantrekkelijkheid zijn dat al evenmin. Het formuleren van eisen van duurzame kwaliteit van leefomgeving, bestaanszekerheid, natuur e.a. is natuurlijk wel zinnig, maar niet in een dergelijke platvloerse formulering.
  • Het rangschikken van het groene-  en het blauwe netwerk onder het benutten van het bestaande cultuurgoed is niet juist. De sturende betekenis van de waterstructuur behoort - in lijn met de 4e nota waterhuishouding en de 5e nota RO - sowieso apart opgenomen te zijn.

Conclusie: de uitgangspunten zijn niet evenwichtig opgeschreven.

§ 2.2.2 en § 2.2.6 Glastuinbouw

  • Glastuinbouw is weliswaar als vorm van primaire productie agrarisch, maar de ruimtelijke kenmerken zijn toch veeleer verwant aan bedrijventerreinen. Het 0-scenario voor de glastuinbouw zou o.i. dus moeten gelden voor bedrijventerreinen incl. glastuinbouw.
  • Binnen de glastuinbouw is er nog steeds een fikse toename van de sierteelt. Dat brengt door de aard van het eindproduct een aanzienlijk grotere milieudruk met zich mee, die nog eens wordt verscherpt door de tendens (die ten onrechte door overheden wordt aangemoedigd) de grootschaligheid van de vestigingsgebieden aan te moedigen. De nabijheid van stedelijke concentraties is voor de afzet van sierteeltproducten zo mogelijk relatief van nóg minder belang dan bij de groenteteelt.

Conclusie: het RSP kakelt te zeer clichés over de ontwikkeling en vereisten van de glastuinbouw na.

§ 2.2.8 Veiligheid en schoon water

en

§ 2.9 Ontwikkelingsopgave waterbeheer

  • Zeewaartse maatregelen ter bescherming van de zeewering? Om de zwakke plekken in de Hollandse duinenrij duurzaam te versterken (meegroeien met de zee) zullen zeker ook landwaartse maatregelen nodig zijn, wellicht zelfs - op lange termijn - een slufter bij Ter Heide.
  • Het hoogheemraadschap van Delfland wordt als waterbeheerder niet eens genoemd. Het duidt op een ongemakkelijke verhouding waarbij aan de ene kant de waterbeheerder bij de ruimtelijke ordening op afstand wordt gehouden en aan de andere kant het hoogheemraadschap wordt gedwongen tot een afstandelijke, vinnige reactie.
  • De passage "De ruimtelijke ontwikkelingen van het RSP staan de waterbeheersplannen niet in de weg." is niet meer dan een bezwering. Die afstemming hoort nu juist in het RSP te gebeuren!
  • Die afstemming moet bovendien niet op deze defensieve manier benaderd worden; het gaat er immers niet slechts om dat het RSP de waterbeheersplannen "niet in de weg staat" maar juist ook dat de eisen van waterstructuur en waterbeheer gezien worden als kansen voor de ruimtelijke ordening.

§ 2.3.2 Ruimte voor werk

  • De eis van 3 à 4 jaar 'ijzeren voorraad' aan bedrijventerreinen bevordert slordig grondgebruik en te lage uitgifteprijzen.
  • We herhalen hier onze opvatting dat de bestaande oppervlakken voor glastuinbouw en bedrijventerreinen tezamen een ongekend groot deel van het Haaglandse gebied innemen en dat nieuwe functies in dat bestaande kolossale areaal een plek moeten kunnen vinden.

§ 2.4.2 Woningbouwprogramma

De afspraken van het stadsgewest met staatssecr. Remkes van 12 november gaan uit van 75000 nieuwbouwproductie en 25000 sloop en samenvoeging. Dit lijkt veel meer dan in de RSP staat (indicatief voor 2005-2010 15000 uitbreiding voorraad). In de tekst moet het stadsgwestelijk bestuur laten zien dat RSP en afspraken met de regering met elkaar kloppen.

§ 2.5.7 Locaties windturbines

Het vervallen van de windmolenlocaties bij Zoetermeer (de Balij) juichen wij toe, evenals de stadgewestelijk inzet om nieuwe locaties mogelijk te maken. Windmolenlocaties zijn verkieselijker in de eigen achtertuin dan bijvoorbeeld in natuurgebieden "waar niemand er last van heeft".

§ 2.6.3 Groene verbindingen

Het scheppen van samenhang in de Zweth- en Vlietzone is erg positief - in de afspraken van 12 november met het Rijk zijn daar kennelijk ook al middelen voor gevonden, maar de uitvoering van de Groenblauwe slinger (in provinciale handen overigens) stokt geweldig. Dan staat het wel aardig om Bieslandse Bos en Balij bij de Groenblauwe Slinger "in te lijven", maar dat waren natuurlijk projecten van de Randstadgroenstructuur, en ze behoren ook niet tot de hoofdstructuur van de GBS.

§ 2.6.5 Groen heeft voorrang op rood

Bij deze 9 groene 'geledingen' groen absolute voorrang geven op rood lijkt een moedige inzet. Maar wij willen er wel voor waken dat waardevolle groene gebiedjes op andere plaatsen er kwetsbaarder door worden. Iemand die zijn huis beveiligt, vergroot de kans op inbraak bij de buren ...

§ 2.7 Het verkeers- en vervoersnetwerk

Ook hier (§ 2.7.1) neemt het RSP een moedige positie in ".... gericht op het versterken van de rol van het openbaar vervoer en de fiets en op beperking van de rol van het autoverkeer." .... Maar ... in § 2.7.3 leggen we de A4 aan ...

§ 2.10 Doorkijk

De 'doorkijk' naar voorbij 2010 is wel zo interessant, omdat wordt ingegaan op keuzen die wel degelijk in de periode vóór 2010 om een antwoord vragen. Bijvoorbeeld:

  • of uitstroom aanvaardbaar is,
  • in hoeverre verdichting nog mogelijk is
  • waar (men vergeet de vraag "hoe") meervoudig grondgebruik een rol kan spelen,
  • welk perspectief de heilige koe glastuinbouw gegeven wordt
  • de invulling van de resterende open en groene gebieden

Een voorbeeld dat niet op 2010 moet worden gewacht: "de herinrichting van de groengebieden zal gepaard moeten gaan met het creëren van meer duurzaam oppervlaktewater: als buffer voor overvloedige regenval en als reserve tegen verdroging."

§ 2.10.5 Glastuinbouwcomplex intact houden

De glastuinbouw krijgt hier domweg garanties tot 2020. Het is een sector die weinig eisen stelt aan de ondergrond - of het moest de eis zijn dat die goedkoop is - het is grotendeels letterlijk los van de grond. Ruimte voor glastuinbouw moet gezocht worden in meervoudig grondgebruik, m.n. op bedrijventerreinen en eventueel op water.

Het zoeken in open ruimte naar nieuwe glaslocaties is een beloning voor falende ruimtelijke ordening in het Westland met zijn onverantwoorde dichtheid aan glasopstallen nu daar (wellicht - het IOPW geeft tal van tekenen van een impasse) ruimte zal worden gemaakt voor leefbaarheid en andere economische functies (700 ha). In de 5e nota RO wordt hiertegen overigens op een andere manier stelling genomen: laat het Westland zoals het is, dat voorkomt dat het glas teveel uitwaaiert.

§ 2.10.6 Wonen op maat

De as Delft-Zoetermeer is een veel betere ontwikkelingsrichting dan die over verschillende lijnen van Den Haag naar Rotterdam. Langs die lijnen groeien de Haagse en Rotterdamse agglomeraties immers aan elkaar.

Dat er nu een conflict in het stadsgewest rond de kwestie van de Pijnackerse glastuinbouw en daarmee indrect ook de zuidwaartse stadsuitbreiding van Pijnacker opbloeit, is verheugend. Het markeert dat het stadsgewest niet meer alleen de optelsom van de gemeenten is waarmee men de lieve vrede bewaarde door commentaar op gemeentelijke plannen vanuit een streekperspectief voor zich te houden. Door het nalaten van die regionale en ook de provinciale toetsing kon de kwalijke ontwikkeling van Pijnacker-Zuid (i.p.v. Pijnacker-West) plaatsvinden.

Delft, 1 maart 1998

Betreft: Voorontwerp Structuurplan Stadsgewest Haaglanden

Stadsgewest Haaglanden
Postbus 66
2501 CB Den Haag

Geacht bestuur,

Het kennisnemen en becommentariëren van uw Voorontwerp Regionaal Structuurplan Haaglanden heeft het ons helaas verhinderd u onze reactie vóór 1 maart te zenden. Wij vertrouwen erop dat u ons dat niet euvel duidt.

Wij vatten onze reactie in zeven punten samen.

1. Hoewel in Haaglanden enkele fraaie groene gebieden liggen (duingebied, landgoederenzone, Midden-Delfland), kenmerkt het gebied zich toch niet als een groene schakel in de Randstad. In een zo verstedelijkt en verglaast gebied is dat o.i. een opgeblazen voorstelling van zaken.

De ambitie om er een groene schakel van te maken, onderschrijven wij. In het het hoofdstuk "Van denken naar doen" zouden wij dan ook een dikkere groene draad willen ontdekken.

Een tweede aspect van de 'groene schakel', nl. dat van een schakel in de Randstad, komt in het voorontwerp niet erg uit de verf. Er wordt weinig langs en over de grens van Haaglanden gekeken.

2. Zoals wij in onze brief van 30 juni 1997 al aan u schreven, is met een radicaal andere inrichting en beheer van zowel stedelijke als landelijke gebieden nog veel te winnen. Vooral wat betreft het oppervlaktewater en de samenhang met 'groene' ruimtes zijn er kansen. Plannen in Leidschendam en Den Haag (waar in samenwerking met het Hoogheemraadschap aan een herstel van de Haagse Beek en een gemeentelijk waterplan wordt gewerkt) vormen veelbelovende aanzetten. Het stadsgewest moet er toe bijdragen dat zulke ontwikkelingen ook in andere gemeenten worden opgepakt.

Het moge zo zijn dat 'beheer' &endash; zoals u in de nota van overleg schrijft &endash; geen onderwerp vormt in het structuurplan, dat neemt niet weg dat een op ecologische veerkracht gerichte benadering van het stedelijk gebied mede de monofunctionaliteit van terreinen kan doorbreken. En multifunctionaliteit is wél een onderdeel van uw beleidsstrategie. Het sluit bovendien aan bij de veiligstelling van binnenstedelijke natuurwaarden (p. 16 van de planbeschrijving).

3. Het voorontwerp structuurplan volgt in hoofdzaak het streekplan Zuid-Holland West waar het om de glastuinbouw gaat en doet er zelfs nog een schepje bovenop. De lessen die uit de ontwikkeling van het Westland geleerd kunnen worden, lijken al weer vergeten. Wij stippen kort een paar punten aan.

4. Het levensbelang van duurzame verstedelijking (toelichting p. 13) onderschrijven wij. De speerpunten uit het regionaal Milieubeleidsplan bieden goede aanknopingspunten. Deze tekst volgt echter direct op passages waarin melding wordt gemaakt van 'een vraag naar woonmilieus in lage dichtheden (p.12). In dit spanningsveld ligt een belangrijke uitdaging voor vernieuwende stedenbouw met intelligent, multifunctioneel gebruik van ruimte.

5. De passage over het open houden van de optie van de kustuitbreiding (o.a. p. 23 van de toelichting) is niet zinvol. Het voorstel stoelt slechts op de belangen van aannemers die wat te doen willen hebben en niet op een economische en ecologische analyse van de mogelijkheden van zo'n locatie. Overheden die zich hierdoor op sleeptouw laten nemen, geven zich over aan lucht- en zandkastelen.

6. Verschillende belangrijke projecten (Pijnacker-Zuid, Ypenburg e.a.) worden ontwikkeld onder regie van gemeenten die op treurige wijze laten zien dat zij zich eraan vertillen. Met een kritische en corrigerende opstelling van het stadsgewest kan Haaglanden laten zien dat het meer is dan een optelling van gemeenten.

Pijnacker, dat zich in zijn reactie op de discussienota Beleidsstrategie veroorlooft om kritisch opmerkingen te maken ten aanzien van het vermogen van het stadsgewest om natuurwaarden te beschermen (daarbij vergetend te vermelden dat Pijnacker van de aantasting van die natuurwaarden een dagtaak heeft gemaakt) dient zich zowel om redenen van ruimte voor de Groenblauwe Slinger als om wille van zijn eigen stedelijke structuur oost-west te ontwikkelen, niet slechts na 2005. Evenmin is de locatie De Bras in het plan voor de bouwplaats Ypenburg een zinvol onderdeel.

7. Het opstellen van een Groenbeleidsplan is o.i. alleen zinvol als er geen vrijblijvende samenhang met het structuurplan wordt aangebracht. Aan 'sectorale' nota's die fraaie volzinnen en nog fraaiere plaatjes bevatten, maar die onvoldoende de prioriteitstelling ten opzichte van andere beleidsterreinen behandelen, hebben wij geen behoefte.

Met vriendelijke groeten,

Namens de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

etc.


Delft, 1 juli 1997

Betreft: commentaar op discussienota structuurplan Haaglanden

Aan het bestuur van het stadsgewest Haaglanden
Postbus 66
2501 CB Den Haag

Geacht bestuur,

In aanvulling op het commentaar dat wij eerder in mondeling overleg naar voren mochten brengen (begeleidingsgroep groen van 23 mei), gaan we in deze brief nader in op de discussienota over het regionaal structuurplan. We beperken ons tot een paar hoofdlijnen, ook al omdat wij op details, naar wij aannemen, zullen kunnen ingaan als het structuurplan zelf aan de orde komt.

• De titel van de nota (groene schakel in de randstad) schept de verwachting dat aan 'groen' in de verschilende betekenissen van het woord (groene ruimte, natuur, milieuvriendelijke inrichting en beheer) veel aandacht wordt geschonken. Die belofte wordt echter nauwelijks ingelost.

Zeker, we zijn ingenomen met de kritische vaststelling (pag. 17) dat 'groen' in het verleden niet veel meer was dan de restruimte van de verstedelijking en dat in tegenstelling daartoe, het ruimtelijk beeld in deze nota wordt gebouwd rond het 'groene casco' van Haaglanden. Maar in de synthese (pag. 17) en vooral in het hoofdstuk "Van denken naar doen", komt die groene schakel er bekaaid af. De schakel Haaglanden in de randstad wordt er niet groener op.

• We maken daarbij nog een paar kanttekeningen.

- Het open, groene landschap is wat betreft milieukwaiteit en natuurwaarden niet 'wit', en de stedelijke gebieden hoeven niet 'zwart' te zijn. Dat is beslist geen pleidooi voor het volbouwen van agrarische landschappen (zoals de stedebouwkundige prof. Taeke de Jong eruit pleegt af te leiden), maar vestigt wel de aandacht op hoogstnoodzakelijke vernieuwing in inrichting en beheer van zowel 'groen' als 'rood', van zowel het landelijke als het stedelijke gebied.

Die vernieuwing ontbreekt grotendeels bij de uitwerking van de VINEX-locaties, waar veel te lage ambities als uitgangspunt worden genomen, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaam stedelijk waterbeheer, dat zich bovendien voortreffelijk laat combineren met stedelijke recreatie en stedelijke natuur. Wij maken u nog eens attent op een concept-nota die het Hoogheemraadschap van Delfland in februari over dit onderwerp aan alle in het Delflandse gebied gelegen gemeenten heeft toegestuurd en waarop &endash; verontrustend genoeg &endash; nauwelijks gereageerd is.

- Ruimte voor natuur in een dichtbevolkt gebied moet, zoals dikwijls gebeurt, niet als een beperking worden gezien, maar juist as een kans. Zonder die natuur is een goed vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven (en dus werkgelegenheid) illusoir.

- Willen de stedelijke en landelijke groene gebieden als ecologische drager van het stadsgewest kunnen functioneren, dan moeten de contraproductieve concepten en methoden, die nog vaak door beheerders en landschapsarchitecten worden gehanteerd, eindelijk eens in de prullenbak verdwijnen. Het op grote schaal verdwijnen van struwelen in Delft, het terugvallen op kwalijke chemische bestrijding van begroeiingen op verhardingen in Pijnacker, het aanleggen van bomenakkers in plaats van gevarieerde bossen in de randstadgroenstructuur en de in onze regio nog steeds om zich heen grijpende gekte om onverantwoorde oeververdedigingen aan te leggen, brengen ons tot de de zure constatering dat niet alleen emissies, verdroging en autowegen onze ecosystemen ondermijnen, maar evenzeer het dagelijks beheer van stad en land. Het stadsgewest zou ertoe kunnen bijdragen de impasses op dit terrein te doorbreken.

• Wij zijn voorstander van een sterk stadsgewest om pragmatische redenen. Het provinciaal bestuur heeft de afgelopen jaren te vaak de plank misgeslagen in kwesties van ruimtelijke ordening, infrastructuur, milieu en natuur. De onlangs gepubliceerde provinciale Toekomstverkenning milieu, water en natuur 2000-2010 geeft van dat falen een onthutsend beeld.

Deze overweging doet ons voor het stadsgewest Haaglanden kiezen. Maar dat krediet verstrekken we niet zonder voorbehoud. In de afgelopen (aanloop)periode heeft het stadsgewesteijk bestuur zich in enkele belangrijke zaken beperkt tot het 'optellen' van de gemeentelijke plannen. Een regionaal, bovengemeentelijk beleid werd bijvoorbeeld node gemist in kwesties als de indeling van de bouwlocatie Delfgauw en de omvang van de bouwlocatie Tolhek, waar van een kritiekloos volgen van de gemeente Pijnacker sprake was. In deze discussienota doet zich weer iets dergelijks voor met het Integraal Ontwikkelingsplan Westland, dat als een 'moduul' in het Haaglands structuurplan dreigt te worden geplaatst. Van een veelzijdige, integrale aanpak komt op deze manier natuurlijk niets terecht.

• Wat verkeer en vervoer betreft bevat de discussienota vruchteloos én-én beleid. Er wordt gekozen voor uitbreiding van het net van hoofdwegen en openbaar vervoer (pag. 27) waar juist een radicale keuze noodzakelijk is, en wel voor het openbaar vervoer. Voor de verbetering van natuur en milieu in onze streek is uitbreiding van het hoofdwegennet niet acceptabel. Het zou bovendien honderdduizenden nieuwe weggebruikers verlokken de weg op te gaan en de congestie, die het wil oplossen, juist erger maken (prof. De Ridder).

• Met de binnenstedelijke revitalisering zijn wij het van harte eens. Zonder een permanente, doelbewuste stimulering van de binnenstedelijke economie zal de verstedelijking de weg van de minste weerstand kiezen en het open landschap (met zijn goedkope grond) opslokken.

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent

Met vriendelijke groeten, etc.

ind@datadelft.com