Streekplannen Zuid-Holland West

Commentaren van 23 oktober 2002, van 11 januari 1996 en van 31-1-1995


23 oktober 2002

Aan
Gedeputeerde en Provinciale Staten van de Provincie Zuid-Holland
Postbus 90602
2509 LP Den Haag

Geacht college,

In grote trekken scharen wij ons achter de reactie van Consept op het ontwerp streekplan Zuid-Holland West. Bij onderwerpen als

en nog enkele andere onderwerpen plaatsen wij evenwel andere accenten.

Wij hebben geprobeerd het commentaar te ordenen aan de hand van de paragrafen van de tekst van het streekplan.

§ 1.4 Uitvoeringsbevoegdheden

Wij kunnen ons de klacht van het provinciaal bestuur over het niet-beschikken over daadwerkelijke handhavingsbevoegdheden ten aanzien van de uitvoering van bestemmingsplannen, goed voorstellen. Het is een situatie waardoor streekplannen zelfs enigszins in de lucht komen te hangen.

Het pleidooi voor een pilotproject om daarin verandering te brengen, klinkt niettemin wel erg zwakjes. Op die verandering kan wel wat krachtiger worden aangestuurd, in de eerste plaats door zich bij de toetsing van bestemmingsplannen veel minder meegaand op te stellen dan in de 90-er jaren schering en inslag was, en in de tweede plaats door waar nodig jurisprudentie uit te lokken, bijvoorbeeld in die gevallen waarin gemeenten te kwader trouw verouderde bestemmingsplannen niet aanpassen.

§ 2.2.3 Glastuinbouw + § 3.1.2 + § 3.5.3

Het Rijks- en provinciaal beleid stuurt aan op concentratie van de glastuinbouw op een "beperkt aantal grote, moderne en duurzaam ingerichte locaties".

Bij het saneren van het verspreid staande en opduikende glas moet o.i. de kritische kanttekening worden gemaakt dat zulke operaties wel moeten worden afgewogen tegen andere mogelijke besteding van de middelen die daarvoor nodig zijn. In concreto: voor ons staat niet steeds vast dat de grote sommen gelds die gemoeid zijn met het uitkopen van de ondernemers, niet beter besteed kunnen worden aan het aankopen of bestemmen van andere terreinen die van groot belang zijn voor de landschappelijke kwaliteit en/of de ecologische structuur.

Aan de nieuwe, moderne en duurzaam ingerichte locaties die we bijvoorbeeld in de B-driehoek, hier en daar bij Pijnacker en in het Gaag-gebied (oude Campspolder) kunnen bewonderen, kleven voorts belangrijke bezwaren. Niet alleen is men in deze grootschalige bedrijventerreinen nog zelden actief op het gebied van de voedselteelt, we zien er ook en vooral bulkproductie. Dat past niet in de uitgestippelde economische strategie voor het Zuid-Hollandse glas, nl. specialisatie op terreinen met hoge toegevoegde waarde.

Ook op de punten van ruimte voor water en inpassing in het landschap schieten deze zg. duurzame, moderne locaties in de praktijk schromelijk tekort.

Een economische overweging is bovendien dat in onze regio, waar de ruimteclaims over elkaar heen duikelen, het niet mogelijk en wenselijk is het excessief grote glasareaal in omvang te handhaven. Het vasthouden aan de bestaande ruimte voor glas (i.c. compensatie in andere Zuid-Hollandse regio's) aan de uitvoering van een transformatie als het Integraal Ontwikkelingsplan Westland, is o.i. dan ook uitermate onverstandig. Het ligt juist voor de hand om de huidige ruimte voor glastuinbouw en andere bedrijvigheid gezamenlijk niet in omvang te laten toenemen. Meer oppervlakte aan bedrijventerreinen betekent dan minder glas.

§ 3.1.2 Ontwikkeling + § 4.5 Groenblauwe Slinger

Instemmend is onze reactie waar we lezen dat "het beleid erop gericht (is) de waarden en het karakter van alle in het gebied voorkomende landschappen verder te ontwikkelen". Niettemin krijgt de Groenblauwe slinger in de tekst o.i. een te eenzijdig (dag-)recreatief accent. De recreatieve mogelijkheden van de gebieden waaruit de Groenblauwe Slinger bestaat, zijn ongetwijfeld aantrekkelijk en belangrijk voor deze verstedelijkte regio, maar de ecologische ambities kunnen maar beter met nadruk worden genoemd, want dat was - het wordt wel eens vergeten - het vertrekpunt van het GBS-concept.

Verder is er een belangrijke relatie met het onderwerp van de provinciale bevoegdheden: bij het 'realiseren' van de Groenblauwe Slinger ten oosten van Pijnacker heeft de provincie zich lelijk de kaas van het brood laten eten. Mede 'dankzij' het 2 ha besluit en de confronterende opstelling van het Pijnackerse gemeentebestuur is de provinciale manoevreerruimte om in die benarde zone nog iets van het concept GBS te redden, vrijwel volledig verdampt.

§ 3.1.4 Water

Wat flexibel peilbeheer betreft kan de betekenis voor berging op oppervlaktewater in de polders (voor de boezems liggen de zaken toch anders) én het herstel van slootkanten en oeverecosystemen moeilijk overschat worden. Het rigide beheer van het waterpeil heeft de afgelopen decennia veel schade toegebracht aan de vitaliteit van natuurlijke oeververdedigingen en waternatuur. Herstel van deze dynamiek biedt vele kansen, zeker ook in gebieden met het accent op economische functies. Het is daarbij van belang voor de ecosystemen op maaiveldniveau meer te sturen met het grondwaterpeil, dat veel minder direct verbonden is met het slootpeil dan velen denken. Seizoen, verdamping en neerslag zijn op dat zo belangrijke grondwaterpeil veelal van groter invloed.

§ 3.6.1 + § 3.6.2 + § 6.3.3. Kustverdediging

Wij zetten grote vraagtekens bij de zeewaartse strategie die bij enkele kustvakken lijkt te worden gekozen. Dergelijke oplossingen zijn bij een zeespiegelstijging van in de orde van grootte van 1 meter per eeuw wel erg gewaagd, gegeven de al relatief steile helling van het kustprofiel. M.a.w., zeewaartse oplossingen zijn o.i. economisch en kustmorfologisch niet verantwoord.

Het plan voor de 100 ha natuurcompensatie aan de zeekant verbaast ons ook om andere redenen. Is dat niet een wonderlijke ruil van zeenatuur met duinnatuur? Een ruil is nog geen compensatie! De Noordzee is reeds kerngebied van de Ecologische hoofdstuctuur, een gebied met "in (inter)nationaal opzicht belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen" (Structuurschema Groene Ruimte).

Voor de langere termijn zal o.i. op de zwakste plaats, ten noorden van Ter Heide, juist landwaarts ruimte voor dynamische kustverdediging moeten worden gezocht, bijvoorbeeld in de vorm van een slufter van - inderdaad - ca 100 ha. Dat is pas "meeveren met de natuur".

We wijzen in dit verband ook op de toestand van de Hollandse kust bij de Hondsbossche zeewering. Deze "harde" strook van onze kustverdediging komt langzamerhand ruim vóór de duinenrij te liggen en is op den duur niet houdbaar.

§ 4.5.4 + § 4.6.5 &endash; Piekberging Woudse Polder

Wij zijn voor de korte en middellange termijn zonder reserves voorstander van de piekberging, die het Hoogheemraadschap van Delfland heeft gepland in de Woudsepolder. Het scheppen van 850.000 m3 piekberging in of nabij het Westland is op de vereiste termijn niet op een andere manier mogelijk. De Woudse droogmakerij bijvoorbeeld, zo dikwijls genoemd door de tegenstanders van deze oplossing, is een tamelijk 'modern' glasgebied, dat alleen tegen zeer hoge kosten en zeker niet binnen 10 jaar beschikbaar zou kunnen komen - het zou onbillijk zijn de ingelanden van Delfland met deze hoge extra lasten op te schepen.

Landschappelijk is voor de variant van de Woudse Polder bovendien veel te zeggen, nl. als buffering tegen de onthutsende ontwikkelingen aan de noord-kant van de Zweth.

Bij de besluitvorming over deze kwestie heeft het stadsgewest Haaglanden een standpunt ingenomen dat ons zeer aanspreekt. Vanuit het gezichtspunt dat het van groot belang is om in het Westland zélf op termijn bergingscapaciteit en vertraagde afstroming te realiseren, en de piekberging in de Woudse Polder dus een in tijd beperkte voorziening (10-15 jaar) zou kunnen en moeten zijn, komt het erop aan om de ruimtelijke processen in het Westland zodanig te sturen dat deze inzichten op die termijn tot hun recht komen. Wij juichen het dus ook op dit punt (naast dat van bijvoorbeeld de 9 groene 'geledingen'm waar groen absolute voorrang op rood wordt gegeven) toe, dat in dit streekplan het stadsgewestelijk structuurplan "zoveel mogelijk" (§ 4.6.3) wordt overgenomen.

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent

Met vriendelijke groeten,

Jacques Schievink

Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft


commentaar van 11 januari 1996

Aan:

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland

Prinses Beatrixlaan 15

2595 AK Den Haag

Delft, 11 januari 1996

Betreft: zienswijze ontwerp streekplan Zuid-Holland West

Geacht college,

Het ontwerp streekplan Zuid-Holland West is voor ons aanleiding om nogmaals terug te komen op twee aspecten die wij al in de reactie op de nota beslispunten aansneden. Daarna gaan wij nog in op enkele andere apecten van het ontwerp.

1. In die eerdere reactie uitten wij al onze grote bezwaren tegen de bouwlocatie Pijnacker-Zuid, die immers de ecologische verbinding tussen Midden-Delfland en het Groene Hart afknelt.

In de tekst van het ontwerp streekplan wordt deze verbinding met veel woorden 'opgewaardeerd' tot 'groenblauwe slinger'. Zowel in de nota van beantwoording als in de toelichting is het niet moeilijk ambitieuze passages over deze groenblauwe slinger te vinden. Enkele citaten uit de toelichting op het ontwerp:

(pag. 11) "Vanwege bestaande natuur- en landschapswaarden, maar ook als groen uitloopgebied voor honderdduizenden stedelingen worden Midden-Delfland en het gebied rond Oude Leede via een aaneengesloten groene zone van enige omvang verbonden met het open weidegebied tussen Zoeterwoude en Zoetermeer en zodoende aangesloten op het Groene Hart. Verbinding van nu nog veelal geïsoleerd gelegen elementen is hierbij van groot belang. Deze zogeheten Groenblauwe Slinger vormt de laatste mogelijkheid om centraal in de Zuidvleugel een groene drager van bovenregionaal formaat te ontwikkelen met een ecologische, een recreatieve en landschappelijke alsmede een het stedelijk gebied geledende functie."

en

(pag. 12/13) "Duidelijk wordt wat essentiële onderdelen en maatregelen zijn die, in het belang van het woon- en leefklimaat in de Zuidvleugel, een grote inzet rechtvaardigen.

Dit zijn op hoofdlijnen:

Met veel van deze maatregelen kunnen wij van harte instemmen, maar wij blijven van mening dat de VINEX-locatie Pijnacker-Zuid in de voorgestelde vorm strijdig is met de ecologische ambities. De minimummaat van 200 meter, die ter plaatse tussen Pijnacker en Berkel zal blijven bestaan, is verre van voldoende voor de 'geledende' (i.c. de scheiding van de Haagse en de Rotterdamse agglomeratie) én de ecologische functie. Het is volstrekt duidelijk dat deze schamele maatvoering het onbedoelde resultaat is van uitbreidingsplannen die in Pijnacker en Berkel zijn gemaakt, maar die niet in overeenstemming zijn gebracht met de ruimtelijke eisen van het natuur- en landschapsbeleid.

Bij de besluitvorming in het provinciaal bestuur (voorjaar 1993) is dan wel voortgebouwd op een advies van Bureau OD 205 ("Ecologische Infrastructuur Tussengebied"), waarin het minimum van 200 meter wordt genoemd, maar aan die (in onze ogen ook dán veel te smalle) ecologische verbinding zijn toen wel strikte voorwaarden verbonden. Wij citeren uit het rapport:

Nu de N470 en recreatieve voorzieningen ook al (naast de al bestaande doorsnijdingen!) in deze ecologische flessehals worden ondergebracht, blijft er van de pretenties domweg te weinig over en komt het er op neer dat de groenblauwe slinger net zo sterk wordt als zijn zwakste schakel. Het antwoord van het provinciaal bestuur op onze kritiek (nota van beantwoording p. 103) overtuigt ons dan ook allerminst.

Deze scepsis wordt nog aangewakkerd door de tekst op pag. 62 van de toelichting, waar de groenblauwe slinger wordt gerelativeerd tot een onvolledig kralensnoer van geïsoleerde gebiedjes en waar wordt voorspeld dat door de realisatie van de diverse VINEX-locaties het groen hier een meer intensieve functie zal verkrijgen. M.a.w., de teksten over de groenblauwe slinger zijn niet consistent.

Dan nog een opmerking over de financiering. Een van de financieringsbronnen zou "Rood voor Groen" kunnen zijn, maar het ziet er nu al naar uit dat het omgekeerde het geval zal zijn: groen voor rood, ofwel gras voor glas. In de discussie over dit onderwerp mochten wij eerder van het Pijnackers gemeentebestuur vernemen dat met het positieve exploitatiesaldo van de locatie Pijnacker-Zuid in de verdere toekomst ontwikkeling van Pijnacker-West (voor de stadsuitleg van Pijnacker veel verkieslijker) mogelijk zou worden. M.a.w., een kansrijk gebied ten zuiden van Pijnacker wordt opgeofferd aan een glastuinbouwgebied ten westen van Pijnacker, waarvan wel vaststaat dat het economisch en ecologisch weinig toekomst heeft. Het streekplan zou op deze ontwikkelingen juist moeten anticiperen!

2. Het opnemen van 'de Bras' in de locatie Ypenburg, eveneens een onderwerp dat wij in ons commentaar op de nota beslispunten aansneden, achten wij niet voor de handliggend. In de eerste plaats zou, als 'de Bras' er buiten wordt gelaten, de ontwikkeling van de locatie Ypenburg bestuurlijk eenvoudiger worden omdat er dan een gemeente minder bij betrokken is. Verder vormt de Bras ruimtelijk en planologisch allerminst een logisch geheel met Ypenburg.

Vanuit de ecologie bekeken speelt dit deel van de polder van Nootdorp een belangrijke rol voor de natuur van het complex Delftse Hout-Bieslandse Bos; als aldaar de recreatie op volle toeren draait, blijken veel vogels in de Polder van Nootdorp een rustplaats te zoeken. Omdat de polder betrekkelijk vochtig is en niet door wegen en paden wordt doorsneden, kent het een verrassend rijke broedvogelpopulatie.

3. Op de streekplankaart is bij de bouwlocatie Delfgauw de verdeling tussen woningen en bedrijfsterrein ingetekend die door de initiatiefnemers wordt voorgesteld. In verschillende discussieronden is echter omstandig aangetoond dat die ruimtelijke indeling in vele opzichten ongunstiger is dan het model waarbij het bedrijfsterrein langs rijksweg 13 is gelegd (model B). Wat betreft de kwaliteit van de ecologische zone, aantallen woningen, kwaliteit van de woonomgeving, kwaliteit van het bedrijventerrein (zie standpunt Kamer van Koophandel Haaglanden), draagvlak voor openbaar vervoer (Delfylijn!), landschappelijke inpassing, en geluid- en milieuhinder van de A-13 e.a.,

scoort model B veel beter. Het is o.i. niet te laat om deze argumenten in het streekplan tot gelding te brengen en terug te komen op de eerder inegslagen dwaalwegen.

4. Het ontwerp streekplan is weifelend t.a.v. de doortrekking van de A4 tussen Delft en Schiedam; op pag. 85 van de toelichting wordt op voorwaarde van goede inpassing een voorkeur uitgesproken voor de aanleg, maar ook wordt een definitief oordeel pas mogelijk geacht als de resultaten van de MER-studie bekend zijn.

Ons standpunt is dat die verlenging er niet moet komen. Het betekent niet alleen een verscheuring van Midden-Delfland en van het bufferbeleid, maar ook voor het fysische milieu van de stad Delft is de weg bedreigend. De stad zal dan aan oost- en westkant ingeklemd zijn tussen dominante verkeersaders die de toch al matige luchtkwaliteit in Delft verder aantasten.

5. Het creëren en zoeken van ruimte voor expansie van de glastuinbouw, waarvan op enkele plaatsen in het ontwerp streekplan sprake is, verwondert ons zeer. In de beschrijving (pags. 60 en 61) bespeuren wij een contrast tussen deze ruimtelijke claims en de vaststelling dat het beleid zich richt op herstructurering en revitalisering en niet op een areaalvergroting. Verder worden plannen ontvouwd voor een groene dooradering van het Westland.

Was al langer duidelijk dat de glastuinbouwsector in de huidige omvang ecologisch niet houdbaar is, nu blijkt de sector ook economisch weinig duurzaam. Die economische zwakte is niet van conjuncturele, maar van structurele aard.

Het excessief grote glastuinbouwareaal in ons gebied zal in de streekplanperiode vermoedelijk fors afnemen. Het vrijkomende oppervlak kan worden 'besteed' aan andere functies: natuur en landschap, woningen en zeker ook diversificatie van de bedrijvigheid en versterking van de nu veel te eenzijdige economische structuur. De dichtheid van de glastuinbouw in het Westland is eerder een bedreiging dan een voorwaarde voor een gezonde sector. De centrumfunctie van het glastuinbouwgebied hoeft daarbij niet verloren te gaan; die is immers niet alleen afhankelijk van de grootte van het areaal.

Overloopgebieden voor de Westlandse glastuinbouw zijn met dat al naar ons oordeel niet gewenst en waarschijnlijk ook niet meer nodig.

Vertrouwend u van dient te zijn geweest, tekent

Met vriendelijke groeten,

Jacques Schievink


commentaar van 31-1-1995

Aan:
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland
Koningskade 1
2596 AA Den Haag

Delft, 31 januari 1995

Betreft: commentaar Nota Beslispunten Streekplan Zuid-Holland West

Geacht college,

Als ondersteuning van en als aanvulling op de reactie, die de Zuidhollandse Milieufederatie u toezond op de Nota Beslispunten Streekplan Zuid-Holland West, geven wij u onderstaand commentaar. Ze betreffen vooral het stadsgewest Haaglanden.

1. Een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden is vooruitgeschoven naar nader overleg met het stadsgewest.

Enerzijds is deze werkwijze te billijken omdat het van belang is voor het streekplan een draagvlak te scheppen.

Maar anderzijds is deze werkwijze ook een uiting van een sterk terugtredende provinciale overheid. Die terugtrekkende beweging is al enige tijd bespeurbaar, bijvoorbeeld waar niet of nauwelijks meer werk wordt gemaakt van procedures tegen gemeentelijke bestemmingsplanwijzigingen die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan.

Wij beoordelen deze ontwikkeling als erg ongunstig. Bij bepaalde gemeenten en ook het stadgewest Haaglanden ontbreken visie zowel als deskundigheid om hun handelen in evenwicht te brengen met bovenregionale belangen. Dat haalt een dikke streep door de rekening van hen die nog de illusie hadden dat een behoorlijke planologische en ecologische ontwikkeling van het gebied op gang zou kunnen komen.

2. Het is m.n. de ontwikkeling van Pijnacker die zorgen baart. Met de locatie Pijnacker-Zuid wordt zowel de in regerings- als in provinciale plannen aangegeven ecologische structuur genegeerd (fraaie inrichtingsstudies voor een flinterdunne zone kunnen niet verhullen dat de zone zijn ecologische betekenis grotendeels zal verliezen) als een absurde ontwikkeling van de bebouwde kom van Pijnacker op gang gebracht.

Zowel de provincie als het stadsgewest laten zich vangen in vlegelachtige manoeuvres van het Pijnackers gemeentebestuur, die naar het ons voorkomt meer begaan is met profijtelijke grondhandeltjes dan met de toekomst van ons gebied.

De beslispunten 3 en 9 voor het Haaglandengebied zijn dan ook wat ons betreft tegenstrijdig, tenzij de grens van de locatie Pijnacker-Zuid ca 250 meter noordelijker wordt gelegd dan nu in bestuurlijke kringen wordt voorzien.

3. Het opnemen van 'de Bras' in de bouwlocatie Ypenburg heeft wat ons betreft grote bezwaren. Dit deel van de Polder van Nootdorp moet o.i. in stand blijven als buffer tussen de locatie Ypenburg en het gebied van de Balij en de Delftse Hout. M.n de natuurontwikkeling in de Hertenkamp, langs de Tweemolentjeskade en het Bieslandse Bos wordt dan al te zeer belegerd door de stadsrand.

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent

etc.


Laatste wijziging: 24 oktober 2002, netplek Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | ind@datadelft.com