Commentaar op concept-rapport van IWACO over oeverafslag aan Delfland

§ 4.2. Het is langzamerhand wel duidelijk dat het op de agrarische functie afgestemde en 'omgekeerde' peilbeheer (dat vaak ook in recreatiegebieden en stedelijke polder wordt gevolgd) een belangrijke oorzaak van de achteruigang van oevervegetaties is. Door die teloorgang treedt ook steeds vaker oeverafslag op.

In deze § ontbreekt wat dat betreft de vermelding dat in het voorjaar (tijdelijk) droogvallende oeverzones voor de verspreiding en verjonging van de oeverplanten nodig zijn (i.h.b. die soorten die lang drijvende zaden hebben, terwijl ook de zuurstoftoetreding tot de oeverzone een rol speelt). Verandering van het peilbeheer naar een 's zomers lager peil kan hier dus helpen, maar alleen als het oeverprofiel onder de bestaande waterlijn daar gelegenheid voor biedt,

§ 4.5. Aanplant van riet kan helpen, maar alleen voor een beperkte periode, 5 jaar misschien. Als immers de oorzaken van het verdwijnen van de oevervegetatie (m.n. peilbeheer en eutrofiëring) niet zijn weggenomen, is het dweilen met de kraan open. Deze oorzaken kunnen wel enigszins door zorgvuldig en (zo valt te vrezen) intensiever beheer naar de achtergrond worden gedrongen (zie ook verder het commentaar op § 7.2).

Als we het aanpakken van het probleem niet laten afhangen van intensiever beheer maar van generieke maatregelen, dan komen we uit bij aangepast peilbeheer en bij terugdringing van de eutrofiëring. Dat laatste is doel van tal van overheidsactiviteiten (actieplan diffuse bronnen, mestwetgeving, e.a.) die op korte en middellange termijn weinig zoden aan de dijk zullen zetten.

Het peilbeheer in agrarische gebieden veranderen in een meer natuurlijke peilbeheer (d.w.z. het winterpeil verhogen) is ook al een lastige opgave. Hoewel in studies van het CLM (zoals Boeren met Water, en Omgaan met Vernatting) tal van suggesties te vinden zijn om vanuit het boerenbedrijf beter om te gaan met water en waterpeil, valt te betwijfelen of het klassieke peilregime op redelijke termijn te veranderen is. De discussie over berging en afvoer naar aanleiding van de wateroverlast van 1998 en 1999 werkt ook al niet in die richting. De bergingsbehoefte doet zich immers vooral in het winterhalfjaar voor, en dan is het maar beter om het peil iets lager te hebben, zullen de kwantiteitsmensen zeggen. Het vasthouden van schoon water in polders kan er eveneens mee op gespannen voet staan.

Er is een peilbeheer denkbaar dat flexibel inspeelt op de agrarische verlangens én op de wenselijkheid van natuurlijke oeververdediging: een peilregime met een soort 'interimpeil' in het voorjaar, dat lager is dan het winterpeil en dat:

In het volgende plaatje wordt het bestaande (links) en het hier voorgestelde, incidentele peilbeheer (rechts) weergegeven:

 

§ 5.1. Te veel bemesting maakt de oever inderdaad zwakker. Het verschijnsel maakt wellicht een deal met de landbouwers mogelijk: als de landbouwers bij de bemesting de oevers beter willen ontzien (meer bijvoorbeeld dan vereist is in het kader van de WVO open teelten), dan zou het waterschap ondersteuning kunnen geven bij de oeverontwikkeling en op kritische plaatsen zelfs de herprofilering van de oever. Het betrekken van de agrarisch natuurvereniging Vockestaert, meer nog dan met de WLTO, hierbij ligt voor de hand.

§ 5.2. Onze ervaring leert dat zuidoevers in het algemeen kwetsbaarder zijn dan noordoevers, doorgaans door beschaduwing.

Het is de vraag of de suggestie van een aarden wal als vooroever soelaas biedt. Veelal kom je dan toch uit bij een lichte onderwaterschoeiing of een - onderbroken - vooroever van stortsteen (leuk voorbeeld aan de Karmelweg Rotterdam (!)), en bovendien zijn veel (hoofd)watergangen niet of te weinig overgedimensioneerd om de ruimte voor een vooroever te kunnen vinden.

§ 7.2. Hoewel vaststaat dat eutrofiëring en peilbeheer hebben bijgedragen tot de achteruitgang van oevervegetaties, zijn er ook nogal wat situaties waar te nemen waarbij de oevervegetatie in stand gehouden kan worden door (aangepast) vegetatiebeheer. Als het beheer van oeverzones wordt afgestemd op de oeververdedigende functie (zorgvuldig vaststellen van maaitijdstip, zoals riet in de winter maaien; verwijderen van de strooisellaag) dan kan toch een versterking van de oevers bewerkstelligd worden.

Het valt te vrezen dat ook de zomer- en najaarsschouw hebben bijgedragen aan de afbraak van de oevers. Aangelanden en loonbedrijven gaan bij de schouw dikwijls zeer ruw te werk, waarbij aan de beworteling van de planten en aan de bodem grote schade wordt gedaan. Het des zomers maaien van riet en andere helofyten verzwakt deze planten ook om andere redenen nog eens, zoals terecht in het rapport wordt opgemerkt. Het is - zoals ook in het waterbeheersplan in het vooruitzicht wordt gesteld - hoog tijd voor een "groene keur" en een campagne onder aangelanden en loonbedrijven om deze kwalijke tradities te beëindigen.


Wat er in de periode 1997-1999 bij Delfland over oeverafkalving ter sprake kwam

Toen de brief van de Nootdorpse boeren in het najaar van 1997 in de commissie Waterbeheer van Delfland behandeld werd, is betoogd dat de klagers niet alleen moesten worden afgescheept - zoals gebeurde - met het antwoord dat de oever een zorg is van de aangelanden (zie ook [2]), maar dat het aangedragen probleem juist door Delfland moest worden aangegrepen om de aangelanden op het spoor te zetten van ecologisch verantwoorde oplossingen voor hun problemen. Er werd zelfs door de dijgraaf (Pieter Zevenbergen) een voorlichtingsbrochure toegezegd.

Korte tijd later begon het onderzoek van Delfland met de proefstroken. Daar werd jaarlijks over gerapporteerd en herhaalde zich de discussie. Bij de laatste gelegenheid (zie [1]) hebben wij daarbij het proefschrift van John Lenssen aangehaald over de relatie tussen peilbeheer en ontwikkeling van oevervegetaties.

Bijlagen:

ind@datadelft.com