Nieuwsbrief no. 39 addendum

x


Inhoud:

x


Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

samenwerking van Commissie Natuur en Milieu, Imkervereniging, IVN, Milieudefensie, Milieukompas, Natuurwacht, Vogelwacht en Werkgroep Groenbeheer Nootdorp
e-mail ind@datadelft.com

Delfland op z'n breedst, samenvatting

PDF-bestand (4.3 Mb)

Een van de taken van Delfland is de zorg voor een goede waterkwaliteit. Dit rapport geeft een indruk van de huidige toestand van het water aan de hand van de monitoringsresultaten over de periode 1999-2002. Deze worden vergeleken met die uit eerdere jaren en uit andere delen van het land. De normering bestaat uit het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) voor stoffen, een voldoende niveau voor de ecologie volgens de Stowa-beoordelingssystemen en normen voor specifieke functies zoals water voor karperachtigen en zwemwater. De ecologische waterkwaliteit blijkt in Delfland over het algemeen onvoldoende. Slechts 6% van de wateren voldoet aan de belangrijkste criteria. De belangrijkste knelpunten zijn inrichting en onderhoud van de watergangen (maar 19% voldoet) en de voedselrijkdom (23% voldoet).

Voor de zuurstofhuishouding voldoet 57% van de wateren. Voor de giftigheid voldoet 86%; de 14% die niet voldoet is een klein deel van de wateren maar vormt wel een ernstig probleem omdat de levensgemeenschap daar vaak geheel verstoord is. In vergelijking met de rest van het land is de ecologische waterkwaliteit in Delfland iets slechter, en wat betreft voedselrijkdom zelfs veel slechter.

In de afgelopen onderzoeksperiode is het percentage wateren dat voldoet bij inrichting en onderhoud gestegen van 10% naar 19%. Dit lijkt vooral te danken aan de aanleg van natuurvriendelijke oevers en een meer op de ecologie gericht maaibeheer. De overige karakteristieken zijn iets verbeterd (voedselrijkdom en giftigheid) of iets verslechterd (zuurstofhuishouding).

De belangrijkste chemische probleemstoffen zijn stikstof, fosfaat, koper, nikkel, zink en bestrijdingsmiddelen (op basis van toetsing aan het MTR). De normen worden ruimschoots overschreden. Er is binnen Delfland duidelijk een interne belasting met deze stoffen. Het inlaatwater uit het Brielse Meer voldoet namelijk nagenoeg wel aan het MTR voor alle stoffen. Genoemde stoffen zijn ook landelijk probleemstoffen [CIW 2003].

De gehalten aan stikstof in Delflands basismeetnet zijn vergelijkbaar met het landelijk niveau (ongeveer 2x MTR). De situatie in Delfland is wel duidelijk verbeterd. Voor fosfaat zijn de waarden in Delfland (zo'n 5x MTR) duidelijk slechter dan landelijk en verandert er weinig.

In de glastuinbouwgebieden in Delfland zijn de gehalten aan stikstof en fosfaat gemiddeld nog veel slechter, resp. zo'n 6x en 10x het MTR. De gehalten aan koper zijn in Delfland vergelijkbaar met het landelijk niveau (ongeveer 2x MTR). Voor koper is er een lichte verbetering te zien. Voor nikkel en zink zijn de waarden in Delfland ongeveer 2-3x het MTR en is er geen duidelijke verbetering te zien.

Deze waarden zijn 1,5-2x zo hoog als landelijk.

Van de organofosfor-bestrijdingsmiddelen is het aantal stoffen dat de norm overschrijdt en de mate waarin afgenomen. Dichloorvos en ethyl-parathion zijn de laatste jaren overgebleven als probleemstoffen. De overschrijdingen zijn vooral geconstateerd in het glastuinbouwgebied.

Daar zijn de overschrijdingen gedaald van (gemiddeld) 1000-en malen het MTR tot zo'n 100x het MTR. De overschrijdingen in het basismeetnet zijn gedaald van meer dan 1000x tot enkele tientallen malen het MTR. Deze bestrijdingsmiddelen zijn in Delfland duidelijk een groter probleem dan in de rest van het land. Bij de organochloor-bestrijdingsmiddelen is de situatie duidelijk verbeterd. Ze worden de laatste jaren niet meer aangetroffen boven de norm. Door de afgenomen gehalten aan bestrijdingsmiddelen is het water gemiddeld minder giftig geworden. Dit blijkt uit een hogere overleving in veldproeven met watervlooien.

De zuurstofgehalten voldoen op 82% van de punten niet aan de norm die hoort bij water voor karperachtigen. Ook het ammoniakgehalte is vaak te hoog. De laatste jaren voldoen vrijwel alle zwemwateren aan de bacteriologische normen. Er worden wel vaak potentieel giftige blauwalgen in deze wateren aangetroffen.

terug naar begin

Commentaar op evaluatie NUP

PDF-bestand (640 Kb)

De evaluatie oordeelt over de uitvoering van het (provinciale) peilbeleid door de waterschappen en over de verhouding tussen provincie en waterschappen tamelijk vernietigend.

"Hiernaast is de organisatievorm van waterschappen niet gericht op het omgaan met integrale afwegingen. Dit is ook niet hoofddoelstelling van de waterschappen. Het is daarom ook zeer de vraag of het beleid zoals dat in de NUP voorgesteld wordt wel uitgevoerd kan worden door de huidige waterschapsorganisaties." staat er p. 48. Op p. 49 staat daarop de aanbeveling "Gebaseerd op de hierboven genoemde conclusies (cultuur, eigen verantwoordelijkheid waterschappen) verdient het voor de provincie de aanbeveling om bij voorkeur repressief om te gaan met peilbeheer."

In het berichtje in de nieuwsbrief Groen, Water en Milieu van september wordt daar overheen gewalst. "Peilbesluiten meer gebiedsgericht" heet het in de titel, hetgeen weinig recht doet aan de inhoud van de evaluatie.

Wij zouden het provinciebestuur willen adviseren deze evaluatie vooral niet binnenskamers te houden, maar juist ook aan de waterschappen door te spelen om het in hun algemene besturen te laten bespreken, zo mogelijk gekoppeld aan een discussie over het flexibel peilbeheer. Het flexibel peilbeheer biedt immers goede kansen op een minder verspillend gebruik van gemalen, op betere kwaliteit van het polderwater en op herstel van oevervegetaies, m.n. langs hoofdwatergangen. In de discussie hierover kunnen ook de oude onzinnige stellingen van de agrarische belangenvertegenwoordigers over de gewenste zomer- en winterpeilen eens kunnen worden omvergekegeld. De NUP doet immers volstrekt onvoldoende recht aan de feitelijke relatie slootpeil-grondwaterpeil. Een recent artikel van vier Zuid-Hollandse deskundigen (w.o. Boukelien Bos) in H2O 37/21 bevat daarover een boeiende grafiek. Ook wijzen we op een recente dissertatie van Wilbert Berendrecht (State Space Modeling of Groundwater Fluctuations, sep 2004), die voor TNO een model ontwikkelde voor het monitoren van de grondwaterstand zonder al te veel daadwerkelijk te meten; dit als antwoord op de probleemstelling dat (p.50 over kennisontwikkeling en GGOR) "voor GGOR (is) een veel gedetailleerder niveau van meten en beheren nodig dan nu gebruikelijk is."

De maatschappelijke en fysieke achtergronden van het peilbeleid komen in de evaluatie sowieso wat zuinig aan bod (bijvoorbeeld p. 48: "Vanwege de geringe zichtbaarheid van klimaatseffecten en maaivelddaling is het lastig om voldoende aandacht voor de problematiek te houden.") In de aanbevelingen wordt er weinig opvallend wel op gewezen, maar als het peilbeleid dan toch weer bij de provincie in discussie zou kunnen komen, dan lijkt het ons van groot belang ook die weer te behandelen - en dan beter dan in 1998 en voordien gebeurde.

Dus niet alleen de operationele vragen uit de evaluatie:

  • Wat is de situatie rondom actualisatie van peilbesluiten?
  • Hoe gaan waterbeheerders om met peilbeheer in veengebieden?
  • Wat doet men aan het terugdringen onderbemalingen?
  • Op wat voor wijze wordt er gebiedsgericht en integraal gewerkt?
  • Hoe worden de verschillende actoren betrokken bij de afwegingen?
  • Hoe gaat men om met handhaving, rapportage en evaluatie?

maar er is juist grote behoefte om in te gaan op de dingen in het waterbeheer echt belangrijk zijn, zoals:

  • hoeveel bedroeg in peilgebieden waar het NUP wel adequaat werd toegepast, de bodemdaling?
  • en wat waren de konsekwenties daarvan voor (de kosten van) bemaling en peilbeheer?
  • hoe hebben zich in die gebieden de agrarische productie en de boereninkomens ontwikkeld?
  • absoluut en in verhouding tot gebieden met een ander peilbeheer?
  • hoe groot was in deze periode de CO2-emissie van deze peilgebieden t.g.v. mineralisatie en wat zouden deze emissies gekost hebben bij een aannemelijk tarief voor verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen?
  • hoe ontwikkelden zich in deze gebieden de natuurwaarden, m.n. de weidevogelstand en het slootleven?

terug naar begin

Midden-Delfkrant nr. 116, december 2004

Boeren voor Natuur in Biesland

Ook denkbaar in Midden-Delfland?

In 2001 publiceerde Alterra, de tegenwoordige naam voor wat vroeger het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN) was, een nieuwe visie op het agrarische bedrijf. De visie kwam uit de koker van deskundigen op het terrein van de ecologie, bestuurskunde en landbouweconomie, en kreeg de naam "Boeren voor Natuur". Men ging na de publicatie op zoek naar boeren die het zouden aandurven om het nieuwe concept in de praktijk te beproeven. En zo werd vanaf voorjaar 2002 gepraat en toegewerkt naar proefprojecten in Twickel (Twente) en de Polder van Biesland, ten oosten van Delft.

Dat Jan Duijndam, een van de weinige veehouders die er nog in het gebied tussen Delft en Zoetermeer is, zich bij het team van Boeren voor Natuur meldde, was niet zo verwonderlijk. Zijn Bieslandse hoeve had in de jaren sinds 1997 al een belangrijke omwenteling in de bedrijfvoering doorgemaakt. Aan de ene kant werd het bedrijf in 1999 gecertificeerd biologisch, en bovendien was in dit verband van belang dat in de Bieslandse Bóvenpolder, deel van het Delftse-Hout gebied, ideeën voor een geïntegreerde aanpak van veehouderij, recreatie, natuurontwikkeling en milieumaatregelen waren gerealiseerd die veel verwantschap vertonen met Boeren voor Natuur. Het plan dat Duijndam en ondergetekende voor dit gebied (35 ha, en in eigendom van de gemeente Delft) toen uitwerkten, werd door de gemeente Delft overgenomen en bovendien door provincie en waterschap gesteund. Maar behalve de veelzijdigheid en landschappelijke kwaliteit van het plan, was misschien nog wel meer van belang dat de samenspraak tussen een boer-in-hart-en-nieren, die voor zichzelf en voor zijn opvolgers wil blijven werken aan de voortzetting van zijn bedrijf in dat geprangde gebied, en een natuurbeschermer bij beide tot zoveel begrip, uitwisseling van inzichten en vertrouwen leidde. "Economie = ecologie" beweren de betere economen wel eens, en inderdaad, als men de fantasie uit het vriesvak haalt, blijkt het waar te zijn.

Kenmerken Boeren voor Natuur

In feite zijn er in het rapport waarmee Boeren voor Natuur werd gelanceerd [1], drie bedrijfstypen uitgewerkt, t.w. het grootschalige, het landschapsgerichte en het natuurgerichte. Omdat het proefproject in de Polder van Biesland de natuurgerichte variant betreft, beperk ik mij hier kortheidshalve toe.

De ondertitel van het Boeren-voor-natuur rapport was "de slechtste grond is de beste". Elk boerenbedrijf heeft wel gronden waar door oneconomische verkaveling, te weinig drooglegging, zoute kwel, ondoordringbare kleilagen e.d. het minder goed boeren is. Maar de kansen voor natuur met interesssante diversiteit zijn juist op zulke "bijstervelden" het best.

Bij deze vaststelling behoort bovendien het besef dat &endash; zoals de landbouwsocioloog Jan Douwe van der Ploeg opmerkte &endash; de Nederlandse landbouw vergeleken met de landbouw elders in Europa het verst is doorgeschoten. Vooral het gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen steekt schril af bij die in het buitenland. Er is over Nederland, ook al door de stikstofuitstoot van het verkeer, in vier decennia een deken van meststoffen gelegd die de natuur danig heeft verarmd. Overgangszones (gradiënten, bepalend voor de kwaliteit van de natuur) als die van schraal naar voedselrijk, bestaan daardoor nauwelijks meer. Dat is allemaal nog eens versterkt door een doorgeschoten waterbeheer(sing) waardoor de dynamiek uit de watergangen verdween en daarmee ook op grote schaal de oever- en watervegetaties. Boeren voor Natuur wil hiermee afrekenen.

Het Boeren-voor-Natuur concept in zijn natuurgerichte versie laat zich zeer goed verduidelijken door een vergelijking te maken met agrarisch natuurbeheer aan de ene kant en natuurontwikkeling (aan de agrarische productie onttrekken en in beheer geven bij natuurbeheerders) aan de andere kant.

Agrarisch natuurbeheer houdt een aanpassing van de agrarische productie in die in de meeste gevallen betrekking heeft op een uitgestelde maaidatum (om de nesten en pullen van weidevogels te beschermen) en slootkantbeheer (voorkomen van bemesting van de oevers en aangepast maaien). De beloning voor de boer is een vorm van "natuurproductiebetaling" zoals vastgelegd in het Programma Beheer, maar de bedrijfsvoering verandert slechts marginaal. Bij Boeren voor Natuur wordt daarentegen vooral gestuurd op ontwikkeling en herstel van ecosystemen. In die aanpak krijgen natuurtypen van onze regio als bloemrijke, vochtige en natte, matig voedselrijke graslanden, verlandingszones en oevervegetaties een kans die in het "afgemeten" agrarisch natuurbeheer nauwelijks geambieerd worden. Tegelijkertijd laat deze aanpak ook veel meer ruimte voor de richting waarin de natuur zich kan ontwikkelen. Loopt het allemaal wat anders dan de ecologen voorspellen maar is het toch interessant en waardevol wat zich voordoet, dan kan het resultaat toch als succesvol worden aangemerkt. Het BvN-concept werd overigens gepubliceerd vóórdat Wageningse ecologen (Berendse e.a.) een paar jaar geleden met ernstige kritiek kwamen op de uitblijvende of zelfs negatieve effecten van agrarisch natuurbeheer m.n. op de weidevogelstand, maar dat neemt niet weg dat het BvN-concept er m.i. een antwoord op biedt.

Vergelijking met nieuwe natuur

Het contrast met het uit productie nemen (en dus aankopen) van gronden t.b.v. natuurbeheer is zo mogelijk nog groter. Boeren voor Natuur vermijdt de weg van de drastische ingrepen in bodem en water die de natuurbeherende organisaties dikwijls bewandelen om een nauw omschreven "natuurdoeltype" tot stand te brengen. Boeren voor Natuur gaat uit van de agrarische productiefunctie en dus ook van het oude cultuurlandschap. Houtwallen, sloten, steilranden en andere elementen worden juist tot uitgangspunt van de natuurontwikkeling genomen. Maar er vindt wél forse extensivering (orde van grootte 50%) van de exploitatie van bodem en dieren plaats, die is immers voorwaarde voor het herstel van de natuurwaarden. Er wordt een gesloten bedrijfssysteem opgezet, zonder ruwvoer, krachtvoer en mest van buiten het bedrijf. In de uitwerking van het proefproject in de Polder van Biesland leidt dit dan ook tot het introduceren van een areaal (ca 15 ha) wintertarwe op gronden die nu nog graslanden zijn. Deze introductie van akkerbouw biedt op zijn beurt weer kansen voor nagenoeg verdwenen akkerrandplanten en nu zozeer bedreigde vogels als patrijzen en veldleeuweriken.

De "organische" aanpak van BvN vindt steeds meer steun in wetenschappelijk onderzoek. Vooral het vele fosfaat dat in de grond gebonden is, kan bij ondoordachte ingrepen in bodem en water voor zeer verruigde natuurtypen zorgen waar geleidelijke aanpassingen in het bodemgebruik waarschijnlijk meer kansen bieden op schaars geworden natuurtypen. De vermaarde ecoloog Eddy Weeda stelt bijvoorbeeld in zijn recente "Boerendiversiteit en biodiverstiteit" (Alterra-Rapport 973): "Radicale verschraling, zoals wel wordt gepropageerd om wilde flora een nieuwe kans te geven, is niet altijd goed. Soms leidt dat tot massale groei van agrarisch minderwaardige of oneetbare grassen zoals smele, rietgras of witbol, terwijl de bloemenrijkdom eerder achteruit gaat dan toeneemt."

Financiering: de lange termijn

Ook het financieringsmodel kan het best verduidelijkt worden door de contrasten met resp. agrarisch natuurbeheer en verwerving aan te stippen.

De vergelijking van de kosten van verwerving van gronden ten behoeve van natuur valt &endash; op lange termijn - gunstig uit voor BvN, omdat het land enige, al is het sterk verminderde productie blijft leveren.

Anders dan bij de korte looptijd van agrarisch natuurbeheer &endash; jaarlijkse vergoedingen voor 'natuurproductie' voor de duur van 6 jaar &endash; staat bij BvN de aanpak op de zeer lange termijn voorop. Natuur én de transformatie van het boerenbedrijf hebben nu eenmaal dat lange-termijn perspectief nodig.

Het financieringsmodel van BvN gaat daarom uit van een fonds waarvan de boer 30 jaar lang het rendement uitgekeerd krijgt. Het fonds zal een omvang moeten hebben van &endash; om de gedachten te bepalen &endash; ruim 2 miljoen Euro per 100 ha. De minister van LNV wil bij het Bieslandse proefproject instaan voor de helft van het fonds (let wel: dit is geen goedgeefsheid van de minister, hij kan dit makkelijk ophoesten uit de kapitalisatie van uitkeringen t.bv. agrarisch natuurbeheer), als de andere helft door regionale partijen bij elkaar wordt gebracht. In het Bieslandse geval zijn we er nog niet helemaal weliswaar, maar dat verhindert niet dat in de bedrijfsvoering, de inrichting van de hoofdwatergangen en het peilbesluit al op het doorgaan van het proefproject wordt vooruitgelopen.

BvN in Midden-Delfland?

De vraag of het Boeren voor Natuur concept ingezet zou kunnen worden in Midden-Delfland, kan m.i. met ja beantwoord worden. Afhankelijk van de voorkeur van de agrariërs zou dat ook heel goed het landschapsgerichte bedrijfstype kunnen zijn. Maar zonder nader onderzoek naar de specifieke, gebiedseigen bedrijfsmatige en ecologische kansen gaat het nou ook weer niet.

Het simpelweg overplanten van de bedrijfsaanpak van de Bieslandse hoeve is sowieso niet aan de orde. Ook al zijn de Bieslandse Polder en Bieslandse Bovenpolder maar een paar kilometer van Midden-Delfland verwijderd, de landschappelijke verschillen zijn groot. De Bieslandse Polder een tamelijk diepe (-5m NAP) droogmakerij met een bodem van humusrijke klei. Die kleilaag is er op sommige plaatsen vrij dun, en daar komt dan zand bijna aan de oppervlakte. De waterhuishouding wordt beïnvloed door de koelwaterontrekkingen van DSM-gist, die zorgt voor zijging en enige grondwaterstandsverlaging. En verder is de Bieslandse Polder een zeer duidelijke landschappelijke eenheid met nog slechts één belangrijke boer, en zijn de stadsranden en recreatiegebieden van Den Haag en Pijnacker-Nootdorp ver opgerukt. (Die nabijheid is overigens niet alleen problematisch, getuige het bestaan van een Vereniging Vrienden van Biesland [2].)

Dit zijn evenzovele verschillen met de omstandigheden in Midden-Delfland. Verschillen die illustreren dat in de Midden-Delflandse situatie een nieuwe, gebiedseigen verkenning en doorrekening van ecologie en bedrijfseconomie nodig is. De beslissende factor &endash; ik heb het voor het laatst bewaard &endash; is wat de boeren van Midden-Delfland zelf kunnen en willen. Met hun kennis en ondernemingszin moet het mogelijk zijn er een ketting van Boeren-voor-Natuur bedrijven tot ontwikkeling te brengen. Want in Biesland zijn er bijzondere omstandigheden, maar die zijn er in Midden-Delfland natuurlijk ook. Het Midden-Delflandfonds kan misschien een rol spelen, de betrokkenheid van Vlaardingen, Schiedam, Delft, Maassluis, Haaglanden. Waar wachten we nog op?

Jacques Schievink

Referenties

Verder:

  • [a] Boeren voor Natuur in de Polder van Biesland, A. Stortelder e.a., 88 pp.
  • [b] Informatie over Polder van Biesland en Bieslandse Bovenpolder via de webstek van de Initiatiefgroep Natuurbeheer: http://www.datadelft.com/~ind/bvnbiesland.htm

Illustraties:

Slik Korftlaan, natuurelement in de Bieslandse Bovenpolder

Nadeelgebieden in Midden Delfland

Weidevogelnesten 2004

terug naar begin


Laatste wijziging: 10 januari 2005, e-mail ind@datadelft.com