Natuur Delft het Onderspit

Nota dd. 23-02-1992

Van groenbeleid naar natuurbeleid

In de ruim twee jaar dat de IND bescherming en ontwikkeling van natuur in Delft bepleit, heeft het gemeentelijk beleid (diensten zowel als de politiek) een ruim aandeel gehad in dat geijver. Op gevaar af voor ongeduldig versleten te worden, moet toch vastgesteld worden, dat de resultaten van al dat gelobby erg mager zijn. Deze notitie is een hernieuwde poging om de stedelijke natuur in Delft op de agenda te krijgen. Wij weten ons daarin gesteund door een wassende stroom van wetenschappelijke publicaties en beleidsnota's , waarin inrichtings- en beheersaspecten van de stedelijke natuur aan de orde komen. Het lijkt wel of deze rijkdom aan inzichten aan ontwerpers, uitvoerders van werken en onderhoudsdiensten (en niet alleen bij de gemeente Delft) niet besteed is.

Gemeentelijke beleidsnota's sinds 1989

Kort na de start van de Initiatiefgroep werd door de afdeling Stedelijk Groen een renovatieplan voor vijf jaar voorgelegd. Door de IND werd hierop scherpe kritiek geleverd. De kern van de kritiek was dat het plan alleen technische aspecten onder de loep nam, en dat het element natuur in het stedelijk groen niet werd onderkend.

Al enkele maanden later (januari 1990) volgde een concept-nota groenbeleid, waarin ecologische aspecten wél aan bod kwamen, al was dat nog rijkelijk vaag. Dat neemt niet weg dat de publiciteitscampagne "Delft gaat het natuurlijk doen" de schijn wekte dat de natuur in de praktijk behoorlijk aan bod zou komen. In die publicaties werd er op gewezen dat wilde planten, insecten, amfibieën en andere organismen ook in de stad kunnen leven, terwijl in beheers-plannen voor enkele wijken onderwerpen als extensief beheer van bermen, dood hout en kruidengroei in bosplantsoenen werden opgenomen.

Het duurde nog tot begin 1991 voordat er een nieuw conceptnota lag, die uitmondde in de nota groenbeleid "Het juiste groen op de juiste plaats", zoals die door de gemeenteraad is vastgesteld. In die nota heeft het aspect natuur zeker een plaats gekregen, maar omdat die plaats vaag is gebléven, vond de IND het nodig om in zijn commentaar voorstellen te doen die een kwantificering van het natuurbeheer inhielden (zie pag. 3).

Natuuraspecten op andere gemeentelijke beleidsterreinen komen al evenmin tot hun recht. In het Milieubeleidsplan is het groenbeleid als paragraaf opgenomen, maar is er zeker niet in geïntegreerd. Het water- en bodembeleid beperkt zich hoofdzakelijk tot vergunning-verlening wat betreft lozingen en vernieuwing van rioleringen. Beide zijn van groot belang, maar er is o.a. ook plaats voor een gericht beleid voor het oppervlaktewater en en het grondwater, waarin zaken als oever- en watervegetatie, het beperken van overstorten en het beperken van verhardingen een rol spelen.

Het gemeentelijk beleid is overigens niet zonder resultaat: de verbetering van de waterkwaliteit in de Delftse grachten is opvallend. Dat resultaat verdient alle lof, evenals trouwens de bescher-ming van muurplanten bij renovatie van kademuren en bruggen.

Gemeentelijk beleid

Nog voordat de renovatienota van '89 bij de raadscommissie lag, was overigens al met die renovatiewerkzaamheden begonnen. Bij de verschillende renovaties viel op dat steeds argumenten als wegwerken onderhoudsachterstand, verwijderen snipper-groen, sociale veiligheid en zichtlijnen werden gehanteerd. We willen niet zover gaan deze argumenten in alle situaties in twijfel te trekken, maar het is wel opvallend dat het natuuraspect bij al dit gerenoveer zo weinig aandacht kreeg.

Wij menen dat het ontbreken van natuurbeleid, het ontbreken van de factor natuur in het stellen van de prioriteiten bij de gemeente, niet toevallig is. Op beleidsniveau ontbreekt de affiniteit met het onderwerp. Als een structuurschets van Delft wordt gepubliceerd, waarop alle diensten hun commentaar hebben kunnen geven, blijkt dat de ecologische hoofdstructuur vergeten is. Een economische beleidsvisie van Delft gaat weer volledig voorbij aan milieuaspecten.

Een niveau lager, bij de uitwerking en de uitvoering van het groenbeleidsplan, zijn er meteen talloze tekenen die erop wijzen dat de prioriteit 'natuur' niet verder gaat dan de papieren nota.

Een paar voorbeelden

o De ecologische structuur wordt, al is het niet al te uitgesproken, in het groenbeleidsplan genoemd. Ook in de uitwerking voor Voorhof-west speelt het begrip een rol, nl. de randen van de wijk maken deel uit van de stedelijke hoofdstructuur. Tegelijkertijd wordt voor de Voorhofdreef het beeld nagestreefd van de 'dreef': een royale bomenlaan met gras. Van de oeverstrook als natuurlijk element, aanvankelijk wel voorzien, is in de plannen niets overgebleven. Bijgevolg komt er van de Voorhofdreef als deel van de ecologische hoofdstructuur niets terecht.

o In Voorhof-west wordt een vlinderhof voorzien. Een gazon, met rozenperkjes en Buddleia's. Waar het hameren op het planten van Buddelia's door de Vlinderstichting al niet toe kan leiden. Met vlindervriendelijk beheer, zoals bijvoorbeeld uiteengezet in het "Beschermingsplan Dag-vlinders" (Ministerie LNV) en het boekje "Vlindervriendelijk Openbaar Groen", heeft het allemaal weinig van doen.

o Van 'natuurlijke' bermen is nog steeds zo goed als geen sprake. Van met exotische kruiden (Slaapbollen, uitheemse Margrieten) ingezaaide vakken des te meer. Ook dit is er weer een uiting van hoe weinig affiniteit er bij Stedelijk Groen is voor de eigen natuur. De aankleding, niet de natuurwaarde, is hier de prioriteit. De bevolking, die abusievelijk meent dat de op die manier ingezaaide bermen 'natuurlijke' vegetaties zijn, wordt hier op het verkeerde been gezet.
Het maaibeheer van de andere bermen is nog steeds niet veranderd. Al te vaak wordt tot aan de slootkant gemaaid, van fasering in ruimte en tijd is al helemaal niets te zien. Dát zou de bevolking duidelijker maken wat natuurbeheer is, en het biedt kansen om reliëf in de grazige oppervlakken aan te brengen. Bovendien richten bij dat maaien te zware machines aan bodem, bodemfauna en vegetatie niet zelden fikse schade aan.

o Welke prioriteiten er in de dienst gesteld worden blijft onduidelijk. Het onderhoudsarm maken is een uitgangspunt dat op zichzelf nog niet met natuurontwikkeling strijdig hoeft te zijn. Maar wat te denken van de vele honderden (duizenden?) uren die worden besteed aan het schoffelen van de boomspiegels, waarbij fraaie spontane kruiden-begroeiingen zonder pardon worden opgeruimd?

o We hebben bij diverse gelegenheden betoogd dat er in het gemeentelijk apparaat een interne tegenkracht ontbreekt tegen natuuraantasting, laat staan dat de gemeente optreedt als hoedster van de natuur. Voorbeelden te over: de ontsluitingsweg van Gist-brocades, het uilenbosje aan de Tanthofkade, de nieuwe camping in de Delftse Hout, de affaire met het Reinier de Graafgasthuis, het slopen van een bosplantsoen aan de Motorenweg (de naam zegt het al…)

Adviezen van de Vlinderstichting

  • Algemeen
  • In sierbeplanting gebruik maken van nectarplanten voor vlinders.
  • Inheemse struiken en kruiden toepassen in plaats van uitheemse sierbeplanting.
  • Geen bestrijdingsmiddelen toepassen maar alternatieven zoals bodembedekkers, chips of schors, schoffelen.

 

  • Grasvelden en bermen
  • Gazons en bermen waar mogelijk omvormen tot bloemrijke graslanden.
  • Waar grasvelden in gebruik zijn als sportveld of speelweide de randen maar 1-2 keer per jaar gefaseerd maaien.
  • Schrale vegetatie één keer per jaar gefaseerd maaien, iets voedselrijkere vegetatie twee keer per jaar gefaseerd maaien. Goed maaitijdstip kiezen.
  • Langs de randen ruigten ontwikkelen die éénmaal in de twee tot vier jaar gefaseerd gemaaid worden.
  • Niet bemesten, niet branden en maaisel steeds afvoeren.
  • Bodemberijding zoveel mogelijk beperken.
  • Geschikte maaigereedschappen gebruiken zoals bosmaaier of maaibalk. Bij voorkeur geen klepelmaaier gebruiken, maar eventueel eco-maaikorf.
  • Slootranden bij voorkeur gefaseerd maaien.

 

  • Bosplantsoen en houtwallen
  • Zorgen voor een gevarieerde leeftijdsopbouw en de aanwezigheid van een boom-, struik- en kruidlaag.
  • Zorgen voor brede bospaden, open plekken en bosweitjes.
  • Langs bosranden, bospaden en bosweiden een struweel- en ruigtevegetatie tot ontwikkeling laten komen. De ruigten om de twee tot vier jaar gefaseerd maaien.
  • Gefaseerd maaien van bospaden en bosweiden. Langs heggen en houtwallen een ruigtevegetatie laten ontstaan.

Natuur en cultuur aan het einde van de 20-e eeuw

Nederland houdt er heel veel wereldrecords op na. Een flink aantal daarvan zijn eerder aanleiding voor schaamte dan voor trots. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest is veruit het hoogste (zowel per hoofd van de bevolking als per oppervlakte-eenheid), en dat geldt ook voor vakantiebestedingen en autokilometers per hoofd van de bevolking. Zonder al te veel fantasie is er tussen deze 'nationale eigenschappen' een verband te leggen.

We kennen de cijfers ervan niet, maar het is niet uit te sluiten dat de hoeveelheid natuur &endash; op zich al moeilijk te kwantificeren &endash; een, zij het negatief, record vertegenwoordigt. Het heeft misschien te maken met het feit dat het produktiefste deel van Nederland met mensenhanden is gemaakt en &endash; erger nog &endash; voor menselijke doeleinden produktief te maken is, en dat daarom "de natuur er geen recht op zou hebben". Hoe dat ook zij, ontspanning in bos en duin staan hoog aangeschreven, grote aantallen mensen hebben zich aangesloten bij natuurbeschermingsorganisaties, maar dat mag niet verhinderen dat de ruimte voor natuur jammerlijk klein is en dat de werkelijkheid van de exploitatie van bodem, water en dieren in schril contrast staat met het morele bewustzijn.

Die schizofrenie is overigens niet zo oud. Ze dateert van na de Tweede Wereld-oorlog. Honderdvijftig jaar geleden was Nederland nog een hoofdzakelijk leeg land, met veel woeste gronden. Milieu en natuur kwamen pas eind 19e eeuw, toen de industrialisatie op gang kwam, enigszins onder druk. De oprichting van de eerste natuurbeschermingsorganisaties dateert dan ook van het begin van de 20e eeuw.

Stedelijke natuur, die overigens ruim voor-handen was, kreeg toen weinig aandacht. In het buitengebied was er genoeg. Het stadsgroen dat in de zich uitbreidende steden werd aangelegd, had vooral een sierfunctie. 'Sier' dan wel dikwijls in de opvattingen van voorafgaande eeuwen, toen de mens nog lang geen (be)heerser was van die natuur en in de tuinaanleg probeerde verdere schreden op die weg te zetten. Maar wellicht is in die opvatting van stadsgroen ook iets terug te vinden van de wegwerpcultuur, waarin immers geen plaats is voor oude bomen, schimmels en andere getuigenissen van afbraak en dood en alles wat oud is meteen moet worden vervangen door iets nieuws.

In de situatie van Delft anno 1992 is een dergelijke opvatting van het stadsgroen o.i. niet meer aanvaardbaar. Voor de getrimde tuin en het steriele stadsplantsoen, symbolen van intolerantie tegenover spontane voorkomens van planten en dieren, moet in de stad dan ook steeds minder ruimte gelaten worden.

Plannen…

Tijdens de discussie over de laatste versie van het gemeentelijk groenbeleidsplan werden door ons een achttal voorstellen gedaan, die ten doel hadden deze verschuiving in de 'groenfilosofie' gestalte te geven. Die voorstellen waren:

  1. de gemeente legt per jaar (bij nieuwbouw zowel als in bestaande situaties) 400 meter zachte oever aan;
  2. de gemeente graaft elk jaar een nieuwe amfibieën-poel;
  3. de gemeente voegt elk jaar 1 ha bosplantsoen toe aan het areaal dat ecologisch (mét oud en dood hout) wordt beheerd;
  4. minstens 20% van de oevervegetaties wordt in het najaar niet gemaaid;
  5. in nader aan te wijzen bermen worden plukjes (zeg 20 m2) spontane houtopslag getolereerd.
  6. waar zich niet of weinig belopen verhardingen bevinden worden ze verwijderd of versmald (de wandelroute langs de Bieslandsekade kunnen we als een goed begin beschouwen);
  7. de gemeente stelt een natuurwaardenkaart op (en onderhoudt die) die door de verschillende diensten bij het maken van onderhouds- en inrichtings-plan-nen en het geven van vergunningen moet worden geraadpleegd (veel van dat materiaal kan door de natuur-organisaties geleverd worden; het wordt hier niet bedoeld als een opsomming van onaantast-baarheden);
  8. de gemeente maakt werk van de toegezegde versterking van de natuur- en milieu-educatie.

Uit: Wie het kleine niet eert …, Ongewervelde dieren en het terreinbeheer, Natuurbeschermingsraad, 1991

Stedelijk groen

gefaseerd beheer

Het beheer van bestaande en nieuwe groene elementen dient zich mede te richten op variatie inbegroeiing en beplanting. Maaien kan zeer kleinschalig worden uitgevoerd, zodat een pleksgewijze verschraling wordt bewerkstelligd. Daarbij is het belangrijk niet meer dan 1 maal per jaar te maaien, bij voorkeur vanaf augustus. Kunstmest en bestrijdingsmiddelen dienen niet te worden toegepast. De ontwikkeling van een rijke kruidenflora met veel waardplanten voor dagvlinders kan door uitzaaien worden bevorderd. Er zijn reeds diverse voorbeelden uit steden als Maastricht, Veenendaal, Amsterdam en Amersfoort, waaruit blijkt dat door een meer op de natuurwaarden gericht groenbeheer onverwachte soorten zich vestigen. Vooral de soorten met goede verspreidingsmechanismen, zoals maskerbijen, dagvlinders, spinnen en libellen, vestigen zich snel. Aan dit 'natuurvriendelijke' groenbeheer dient hoge prioriteit te worden gegeven.

natuurfunctie

Stadsparken, tuinen, begraafplaatsen, bermen en spoorwegterreinen kunnen een zeer rijke ongewerveldenfauna bezitten wanneer deze op de geeigende wijze worden beheerd. Ook zeldzame soorten, zoals bepaalde maskerbijen, zandbijen, zweefvliegen en blaaskopvliegen worden er soms aangetroffen (Koster, 1989). Nu steeds duidelijker wordt dat wilde planten en dieren in het stedelijk groen naast een ecologische ook een belangrijke recreatieve en educatieve functie hebben wordt de noodzaak van een meer op de natuurwaarden gericht groenbeheer in stad en dorp meer en meer onderkend.

stimulering

Het groenbeheer is in eerste instantie een taak van de gemeenten. Daar de inzichten in de wijze van groenbeheer echter van gemeente tot gemeente sterk kunnen variëren komt een natuurvriendelijk groenbeheer nog slechts plaatselijk van de grond.

De voorstellen 1 t.e.m. 6 betreffen inrichting en beheer, de voorstellen 6 en 7 hebben betrekking op resp. planprocedures en bewustwording. Dit stuk is verder gewijd aan de uitwerking van die voorstellen voor bepaalde plaatsen in Delft, voorstellen waarbij de middelen die nog resten van het vijfjarige renovatietraject (tweeëneenhalf jaar à kƒ 700), kunnen worden ingezet.

De keuze van die plaatsen beperkt zich in deze fase tot het draagkrachtiger maken van de ecologische hoofdstructuur.

biotopen

In stedelijke gebieden kan het aantal biotopen voor ongewervelden gemakkelijk worden vergroot. Bij aanleg en inrichting zal zoveel mogelijk variatie in bodem en reliëf moeten worden nagestreefd. Afwisseling van natte en droge situaties, voedselarme en voedselrijke grond is gunstig voor een gevarieerde begroeiing en belangrijk voor ongewervelde dieren. Aanleg en beheer van de groenvoorzieningen dienen zoveel mogelijk aan te sluiten bij de natuurlijke omgeving buiten de bebouwde kom. Zo kan het stedelijk groen een functie als ecologische verbindingszone vervullen. Daar mogelijkheden voor grondverzet en materiaalaanvoer in het stedelijke gebied vaak ruim aanwezig zijn kan een gevarieerde inrichting soms met beperkte middelen plaatsvinden. De mogelijkheden hiertoe dienen opflmaal te worden benut.

Criteria

De keuze van de projecten moet verder voldoen aan de volgende criteria:

  1. het project moet bijdragen aan de introductie van natuur van buiten de stad naar binnen de stad; m.a.w. het terrein moet zich in de buitenste stadsschillen bevinden (in volgende stadia moet daar binnenwaarts op worden aangesloten).
  2. de beschikbare ruimte moet voldoende zijn om een gevarieerd pakket van maatregelen te kunnen toepassen.
  3. (als dat van toepassing is) het project moet een beschermende werking hebben op mogelijke toekomstige claims op die ruimte.
  4. het project moet wat de inrichtings-werkzaam-heden betreft zo veel mogelijk aansluiten bij andere werken die in de buurt in uitvoering worden genomen.

Op basis van deze criteria komen we tot vijf locaties, waarvan er enkele nader zijn uitgewerkt.

1. natuurontwikkeling Kruithuisweg

De Kruithuisweg is in veel opzichten een barrière; door de brede zones naast de weg zijn er echter ook kansen om hier natuurontwikkeling op gang te brengen.

Het gevaar is niet denkbeeldig dat de Kruithuisweg aanzienlijk drukker wordt. Door de zones langs de weg van een duidelijk concept te voorzien wordt een dam opgeworpen tegen verbreding van deze verkeersader. De zone vormt bovendien de aansluiting van hoofstructuurelementen als Voorhofdreef, Buitenhofdreef en Provinciale Weg.

Elementen: drasbermen, poelen, spontane houtopslag, greppels.

2. herinrichting Voorhofdreef

Voorhof-oost en Voorhof-west worden gescheiden door een royaal bemeten Voorhofdreef. Een verkleining van de verharding en een groepering van snippergoen schept ruimte voor een groene zone waaraan zonder schaamte de term 'wijkpark' kan worden verleend. Het biedt mogelijkhden voor compensatie van groenverlies in beide wijken en voor de vermindering van windhinder. Meer informatie over dit plan: zie plan Voorhof.

Elementen: bosplantsoenen (vooral op plaatsen met veel windhinder), grazige, open plekken.

3. zuidelijk deel Schoemakerstraat.

Sluit aan bij bosgebied ten zuiden van TU-wijk; legt ecologische structuur vast voordat de bedrijvenontwikkeling en TU-plannen vastere vorm krijgen. Goede verbindingen met poelen bij Bouwkunde en Civiele Techniek; stedelijke kern-gebiedjes als begraafplaats Jaffa en Botanische tuin niet veraf.

Elementen: natuurlijke oevers, spontane houtopslag, bermen.

4. natuurstructuur Kuiperwijk

De aanleg van de ecologische wijk Ecodus, de nieuwbouw in het Hoornse kwadrant en de aanleg van een gedeeltelijk nieuw Hof van Delft-park bieden mogelijkhden voor een versterking van de natuur in de hele wijk. Als de betekenis van de provinciale weg als verkeersader vermindert kan ook het Wilhelminapark sterker bij deze structuur worden betrokken.

Elementen: oevers, ruige bermen, halfverharde paden.

5. ecologische structuur in de Buitenhof

De mogelijkheden van royale singels als de Van der Slootsingel en de Bachsingel worden onvoldoende benut. Een betere verbinding met het Buitenhofpark is nodig.

Elementen: oevers, bermen, bosplantsoenen.

Literatuur

  1. Ecologie van de Stad, een verkenning, S. Tjallingii & E. Koning, Den Haag 1991
  2. Flora van Delft en Omstreken, R. van der Ham e.a., De Papaver, Delft 1987
  3. Het Milieu van de Natuur, Stichting Natuur en Milieu, Utrecht 1991
  4. Managementaspecten van Ecologisch Stadsgroen, VNG 1991
  5. Muurflora in Delft, KNNV Delft e.o. 1991
  6. Natuur in en om Delft, KNNV Delft e.o. 1991
  7. Natuur in steden, Tj. Deelstra e.a., Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag 1991
  8. Natuurlijker Groenbeheer in Nederlandse gemeenten, A. Koster, VNG 1991
  9. Natuurontwikkeling voor beginners, LONL 1991
  10. Nestkasten en vogelbosjes, Vogelbescherming (red.), Zeist 1989
  11. The wild side of town, C. Baines, Londen 1986
  12. Toestand van de natuur, veranderingen in de Nederlandse natuur, J. Weinreich, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag 1990
  13. Verbindingswegen voor plant en dier, D. Logeman e.a.. Stichting Natuur en Milieu, Utrecht 1988
  14. Vlindervriendelijk Openbaar Groen, Vlinderstichting 1989
  15. Wie het kleine niet eert …, Ongewervelde dieren en het terreinbeheer, Natuurbeschermingsraad, 1991


IND, februari 1992 | netplek Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | ind@datadelft.com