Een beter milieu begint bij helder denken

(reactie op de nota milieu en economie van minister De Boer, geplaatst in NRC-Handelsblad van 12 maart 1998)

In de sympathieke poging van de minister van VROM, mevrouw De Boer, om het hobbelige pad naar een duurzame samenleving aan te geven (NRC van 8 maart), begaat zij m.i. twee kapitale denkfouten.

1. De meest in het oog lopende is het platgeslagen cliché dat je economische groei (in de opvatting van de regering 3% per jaar) nodig zou hebben om de milieuverbeteringen te bekostigen. Eduard Bomhof kakelt haar dat op het irritante toontje waar hij als student al zo veel last van had, in zijn column van maandag na, ook al moet hij de voorbeelden voor die stelling uit India halen. In navolging van Hueting kun je deze stelling weerleggen met het argument dat de natuur het hoofdsysteem is waarbinnen het economisch subsysteem moet functioneren. Als je de economie duurzaam wilt maken dan houdt dat dus in dat de voorwaarden, die het hoofdsysteem stelt, gerespecteerd moeten worden. Of die duurzame economie vervolgens krimpt, stationair is of groeit is dan niet meer dan een cijfertje in een boekje. Bovendien heeft Hueting uitgezocht dat de economische groei hoofdzakelijk wordt opgewekt in de meest vervuilende sectoren van de economie. Economische groei als remedie tegen van natuur- en milieubederf is dus erger dan de kwaal. Mevrouw De Boer draagt zelf ook sterk geschut aan voor deze kritiek, waar zij het niet goed greep krijgen op de "harde kern van de milieuproblematiek" voor een groot deel wijt aan de volume-effecten van de economische groei. Een paar weken geleden verontschuldigde zij zich bij haar Europese collega's voor de matige resultaten van het Nederlandse milieubeleid met het argument dat Nederland "kampt" met een sterke economische groei. Over de onzin van haar stelling is dus eigenlijk geen verschil van mening.

2. Ik voer de zuurgraad van mijn reactie nog wat op. De regering zal in de nota Milieu en Economie aankondigen dat de milieubelasting per eenheid product met een factor 4 moet verminderen. "Dat is zéér ambitieus", schrijft de minister, en dat zal ook wel zo zijn, maar de vraag is of het genoeg is. Want niet het criterium van milieubelasting per eenheid product, maar de milieubelasting per ruimtelijke eenheid is wat de milieukwaliteit bepaalt. Het zal een slachtoffer van het helse vliegverkeer rond Schiphol een biet zijn dat een Boeing 747 per eenheid vervoerd gewicht efficiënter is dan een postduif (zie de wetenschapsquiz van december), en de atmosferische condities worden al evenmin veel beter van die Boeings. En als ik in mijn woonplaats de blik west- of oostwaarts laat dwalen, dan heb ik de grootste moeite de milieuverbeteringen te ontwaren die het gevolg zouden zijn van nog weer milieuvriendelijker geproduceerde tomaten en chrysanten. De gehalten aan bestrijdingsmiddelen in onze slootjes bevinden zich er honderden, de gehalten aan nutriënten tientallen malen boven de grenswaarden, dat alles met zeer herkenbare gevolgen voor onze omgeving. Als mevrouw De Boer kan aangeven wat die factor 4 per eenheid product voor de milieukwaliteit betekent, dan hebben we kans op een zinnige discussie. Ter verontschuldiging zou ze kunnen aanvoeren dat ze niet de enige is die op deze denkfout te betrappen is, want de stichting Natuur en Milieu staat op het punt met de tuinbouworganisaties een convenant*) te sluiten waarin zo'n criterium prominent voorkomt. Je zou van verontwaardiging de helderheid van geest verliezen.

Jacques Schievink

Delft, 8 maart 1998

* Commentaar achteraf (21-12-99) in november '98 bleek dat de milieuorganisaties het convenant GLAMI niet mede hadden ondertekend. Gelukkig maar, ook al bleek de stichting Natuur en Milieu, gezeten in een hoge ivoren toren, niet erg van discussie gediend.

ind@datadelft.com