Groen in Haaglanden

een visie op het regionale groen / zomer 1998

De bril waarmee de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft kijkt naar de regio en het regionale groen is die van de ecosysteembenadering. Dat betekent dat bij inrichting en beheer van stad en land natuurlijke, zelfregulerende processen weer een kans moeten krijgen. Natuurbescherming betekent voor ons minder het beschermen. De ruimtelijke kant van het verhaal is, hoe belangrijk ook, daarvan maar een afgeleide. Een dat geldt ook voor de economische, sociale en psychologische kant van ons regionaal groen.

De ecosysteembenadering levert drie hoofdlijnen op:

1. Het versterken van de hoofdstructuur

Het ecologisch systeem is nu eenmaal het hoofdsysteem, waarbinnen belangrijke subsystemen als de economie en de cultuur moeten functioneren. De economie moet dus niet aan de voorwaarden die het hoofdsysteem stelt afbreuk doen, want dan gaat het mis - op termijn ook met de economie trouwens.

De ecologische hoofdstructuur is wat ons betreft niet een kralensnoer van natuurgebieden met een hek eromheen, maar een multifunctionele ruimte waarin behalve de ecologische structuur ook recreatieve functies, natuurlijke zuivering van oppervlaktewater, berging van het winterse neerslagoverschot en ecologische landbouw een plaats moeten hebben. Om deze functies er tot hun recht te laten komen, moeten de plannenmakers ook eens ophouden de buitenruimte als een restruimte op te vatten, waar de steden naar believen een hap uit kunnen nemen.

Wie met deze bril op naar de Haaglandse situatie kijkt, wordt er niet vrolijk van. Een voorbeeld: een belangrijke drager van het ecologisch systeem als de Groenblauwe Slinger in potentie is, wordt ten zuiden en ten oosten van Pijnacker (door resp. een VINEX-locatie en glastuinbouw) in een veel te nauw corset geperst. Dat is niet alleen te wijten aan het drijven van het Pijnackers gemeentebestuur, maar ook aan een gebrek aan bestuurskracht van stadsgewest en provincie die deze ontwikkeling overigens nog steeds kunnen bijsturen, als ze maar willen.

2. De groene dooradering

Een voldoende functionerende ecologische hoofdstructuur in de regio is van vitaal belang, maar het is net als bij een mens: als het haarvatensysteem verstopt raakt, bezorgt het ons niet alleen voor koude vingers, maar het kan ook levensbedreigend zijn.

M.a.w. de groene dooradering van de regio moet bewaakt en hersteld worden. Zoals stedelingen van boeren nogal eens verlangen dat ze voor het landschap zorgen, zo rust evenzeer de verplichting op ons om stedelijke gebieden, bedrijventerreinen, recreatieve voorzieningen, verkeersinfrastructuur etc. zo in te passen dat er een adequaat ecosysteem kan functioneren. Hier liggen tegelijkertijd enorme kansen voor een veel interssantere, want multifunctionele woon- en werkomgeving.

Haaglanden zit overigens ook in dit verband niet in een beste uitgangspositie. De inrichting van sommige delen van de steden en vooral de massieve glastuinbouwontwikkeling in het Westland en het Oostland hebben van onze regio een ecologisch rampgebied gemaakt, waarvan ook de milieukwaliteit in de omliggende gebieden te lijden heeft. Zelfs met emissie-arme kassystemen, blijven de glasconcentratiegebieden natuurvrije, bijna steriele zones waar met de beste wil van de wereld niks meer van te maken is. De glastuinbouwsector met zijn immer aanhoudende verglazingswil is wat dat betreft vooral een vijand van zichzelf. Het IOPW zal voor het oude Westland de situatie wat verbeteren, maar intussen richt de nieuwe glastuinbouwontwikkeling in het Gaaggebied en in het Oostland meer schade aan dan men met het IOPW kan herstellen.

3. Een radicaal andere aanpak van het beheer

Groen en ecosysteem zijn begrippen die gemakkelijk op een hoop geveegd worden maar die toch zeer verschillend zijn. Veel groen in onze regio is qua inrichting en beheer gericht op het tegengaan van natuurlijke processen en draagt dus eerder bij aan de afbraak dan aan de opbouw van ecosystemen. Wij durven de stelling aan dat de drie grote natuurplagen (vermesting, verdroging, verzuring) weliswaar een grote invloed hebben maar dat inrichting en beheer een zo mogelijk nog grotere negatieve rol spelen.

Bij gemeenten wordt de openbare ruimte verknipt in groen, water en verharding waar vele verkokerde dienstafdelingen zich mee bemoeien met als onveranderlijk resultaat dat de kansen om de steden duurzaam te beheren en de belevingswaarde te vergroten worden gemist.

Ook hier een paar voorbeelden. Struwelen, een beplantingstype dat van zo vitaal belang is, zijn de laatste tien jaar in onze steden op grote schaal gesneuveld en hebben plaats gemaakt voor verhardingen en schijnbaar gemakkelijk te onderhouden rozenperkjes en/of steriele gazons waar nog geen vlinder iets te zoeken heeft. Natuurvriendelijke oevers, een voorbeeld van 'bouwen met natuur' bij uitstek, zijn hier en daar aangelegd, maar de lengte van deze interessante oevers haalt het op geen stukken na bij de lengte van de oevers die met tropisch hardhout of gerecycled plastic worden bedorven. De rode draad van onze kritiek op inrichting en beheer is, dat het vegetatiebeheer niet ook op de ontwikkeling van de fauna is gericht, m.n. op de ongewervelden, die samen met de vegetatie, bodem en water de basis van onze ecosystemen vormen.

Vooral rond het waterbeheer doen zich mogelijkheden voor waarbij de veerkracht (een zeer hanteerbare metafoor uit de Vierde Nota Waterhuishouding) van de ecosystemen en strikt functionele oplossingen in stad en land elkaar kunnen versterken. Het is vanuit het oogpunt van retentie van schoon water bijvoorbeeld doodzonde dat zoveel regenwater via het riool naar de zuiveringen wordt afgevoerd. Dat schone water zijn we kwijt, het is op bovendien op een dure, een uiterst inefficiënte manier afgevoerd en &endash; erger nog &endash; het zuiveringsproces in de rwzi heeft er onder geleden. Door op een onbevangen manier naar onze omgeving te kijken kunnen we delen van het stedelijk gebied van het riool afkoppelen, kunnen het vertraagd afstromen bevorderen (met groene daken bijvoorbeeld), en kunnen we er voor zorgen dat 's zomers minder boezemwater van niet al te beste kwaliteit hoeft te worden ingelaten. En het eind van het liedje is dat we mooier en beter oppervlaktewater hebben dat bovendien weer volwaardig als veerkrachtig ecosysteem kan werken. De openbare ruimte wordt er met al die functies een stuk levendiger van!

Rond het water gloort (niet chloort) hoop. Delfland en Den Haag werken aan een gemeentelijk waterplan, en ook met Delft is Delfland aan de slag gegaan. Uit deze opbeurende initiatieven zou het stadsgewest, naar Twents voorbeeld, een Delf- of Haaglands Waterpakt kunnen ontwikkelen. Dat lijkt heel wat stimulerender dan de slangenkuil die het regionaal bestuur bleek te zijn toen het ging om het zoeken van een locatie voor de nieuwe awzi van Delfland.

Delft, 27 juli 1998

ind@datadelft.com