homepage Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | ind@datadelft.com
De originele tekst staat in dit stuk in blauw. Mijn commentaar staat, in donkerrood, rechts van tekst van het concept. De algemene kritiek op het stuk is dat over innerlijke tegenstellingen, die in het natuurstandpunt binnengesmokkeld zijn, te gemakkelijk wordt heengewalst. Als je de natuur bevordert, dan los je meteen ook zo'n beetje alle andere problemen op, is de teneur. Maar zo eenvoudig is het niet, want, bijvoorbeeld, 'meer natte natuur' betekent helemaal niet 'meer berging'. Nou, zo werd in Delft op 22 mei gereageerd, dan loopt de boel toch gewoon onder? Tsja, dat kan misschien op enkele plaatsen, maar in de meeste gevallen gooi je de veiligheidsparagraaf gewoon het raam uit.
Consept organiseerde een aantal bijeenkomsten, een studiedag 'Ruimte voor schoon water" en een discussie per e-mail over toekomstig waterbeheer in Zuid-Holland. Met behulp van de ideeën die uit deze bijeenkomsten en studiedag zijn gekomen heeft Consept een discussienota opgesteld. Tijdens bijeenkomsten in vier regio's wordt deze discussienota besproken met groene landinrichters, groene waterschapsbestuurders en voorlichters. Uiteindelijk moet dit leiden tot een visie van Consept op waterbeheer van 2001 tot 2020. Deze discussienota geeft een voorlopige visie van Consept op waterbeheer in de Duinstreek en Midden-Holland.
De regio Duinstreek en Midden-Holland bestaat uit de Duin- en Bollenstreek, Midden-Delfland, de omgeving van Pijnacker en de steden Den Haag, Rotterdam, Delft, Leiden en Zoetermeer. Het is een gebied met veel verschillende landschappen. Naast de duinen en de landgoedbossen zijn er de klei- en veenweidepolders en het akkerland in de droogmakerijen. Het landschap van de Bollenstreek is in de afgelopen eeuw ingrijpend veranderd. Het patroon van evenwijdig aan de kust lopende duinen is op veel plaatsen verdwenen. Ten behoeve van de bollenteelt werden veel van deze duinen afgegraven. Meer recentelijk werd ook het grasland in de strandvlaktes omgezet in bollengrond. Daardoor verdwenen de meeste van de waardevolle weidevogelgebieden.
Het klimaat
verandert, de zeespiegel stijgt en de bodem daalt o.a. door
oxidatie van het veen. De winters worden natter en de zomers
droger. Het wordt tijdens extreem natte perioden steeds
moeilijker om het water af te voeren naar de zee.
Daarentegen hebben natuurgebieden en landbouwgebieden hebben
's zomers last van droogte. Kansen op verzilting vanuit de
estuaria en de zee nemen toe. Het
wordt langzamerhand tijd dat er in de landbouw voorlopers
opstaan, die de teelt van brak- of zouttolerante gewassen
onder de knie krijgen en er een markt voor
opbouwen.
De natuur- en
milieuorganisaties zijn van mening dat er oplossingen moeten
worden gevonden om wateroverlast en droogte te voorkomen dan
wel te beheersen. Het watersysteem moet zo worden ingericht
dat een robuust en beheersbaar systeem ontstaat en dat
afwenteling op andere beheerseenheden/watersystemen tot een
minimum wordt beperkt. De
term robuust is essentieel; dat houdt in dat het
(water-)systeem niet gauw 'omvalt' bij extreme belastingen
en dus zo veel mogelijk door eigen dynamiek de bedreigingen
(overstroming, maar bijvoorbeeld ook
verontreinigingscalamiteiten) kan weerstaan. De term
veerkrachtig betekent eigenlijk hetzelfde, maar is in
het waterbeheer meer in zwang geraakt.
De natuur- en milieuorganisaties vinden dat het streven er op gericht moet zijn om oplossingen voor de waterproblematiek te combineren met mogelijkheden voor nieuwe natuurontwikkelingslocaties buiten de PEHS. Dit is overeenkomstig het landelijk beleid, zoals verwoord in NBL 21, Natuur voor mensen, Mensen voor Natuur en de Vierde Nota Waterhuishouding (NW4). Bij berging moet worden voldaan aan de eisen die de natuurdoeltypen aan de waterkwaliteit en -kwantiteit stellen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de gewenste natuurdoeltypen zoals neergelegd in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur aangeeft.
Een brede
benadering van de waterproblematiek is essentieel bij de
oplossingen. Aan de ene kant is er sprake van wateroverlast
en aan de andere kant van verdroging. Vergroten van de
veerkracht en waterconservering/buffering vormen een
belangrijke bijdrage aan het oplossen van deze problemen.
Omgaan met water betekent in eerste instantie
waterconservering/buffering, in tweede instantie berging van
water in daarvoor aan te wijzen ruimten, in derde instantie
vertraagde afvoer en in vierde instantie investeren in meer
technische maatregelen, zoals bemaling. Dit is
overeenkomstig het Advies van de Commissie Waterbeheer 21e
eeuw. Deze commissie bepleit een verplichte drietrapsraket
vasthouden-bergen-afvoeren. Juist maatregelen in de sfeer
van vasthouden bieden kansen voor combinaties met
terugdringen van de verdroging en vergroten van de
natuurlijkheid van natte gebieden. De
eerste twee zinnen bevatten een zwakke formulering die in de
volgende zinnen beter is verwoord. Laat die dus weg. Mijn
tekstvoorstel is: "Veerkrachtig
omgaan met water betekent in eerste instantie
waterconservering/buffering, in tweede instantie berging van
water in daarvoor aan te wijzen ruimten, in derde instantie
vertraagde afvoer en pas in vierde instantie investeren in
meer technische maatregelen, zoals bemaling. Dit is
overeenkomstig het Advies van de Commissie Waterbeheer 21e
eeuw, die een verplichte drietrapsraket
vasthouden-bergen-afvoeren bepleit. Juist maatregelen in de
sfeer van vasthouden bieden kansen voor combinaties met
terugdringen van de verdroging, vergroten van de
natuurlijkheid van natte gebieden en schoon-water buffering
voor de zomerse watertekorten, bijvoorbeeld in de
landbouw."
Gezocht moet worden naar locaties die goede kansen bieden voor win-win situaties door vasthouden, bergen en afvoeren van water te koppelen met zowel bestaande natuurgebieden, als nieuwe locaties voor natuurontwikkeling, extensieve recreatie en landbouw. Dit vereist creativiteit, maar ook zorgvuldigheid.
Gedacht kan worden aan:
|
Herstel van de natuurlijke waterhuishouding in en langs de duinen. In en langs de duinen kan (schoon) kwelwater worden vastgehouden en de inlaat van gebiedsvreemd water worden beperkt. Langs de binnenduinrand kan herstel plaatsvinden van kleinschalig natuurrijk cultuurlandschap met vochtige schraalgraslanden en bossen met zoete kwel, dijkjes en buitenplaatsen. In een groot gedeelte langs de binnenduinrand wordt gestreefd naar een combinatie van waterconservering, natuur en landschap (cultuurhistorie). De landbouw kan hier gaan extensiveren en staat ten dienste van deze functies. |
Twee opmerkingen: 1. De retentie in
Midden-Holland, het polder- en droogmakerijenlandschap dus,
wordt in deze passage totaal overgeslagen (onder C. komt het
wel ter sprake). Kansen op water-vasthouden zijn hier zeker
wel, m.n. in recreatiegebieden. In de snel uitbreidende
oppervlakte (intussen vele honderden ha) aan
recreatieterreinen wordt dikwijls nog het 'agrarisch' beheer
('s winters lager dan 's zomers) volgehouden, en dat hoeft
natuurlijk helemaal niet. Met heel bescheiden technische
maatregelen - stuwtjes die wel zo veel mogelijk passeerbaar
moeten zijn voor waterdieren - is dit te realiseren. 2. Het vasthouden van water in de binnenduinrand is niet zo simpel. Er liggen doorgaans lagere polders achter (vanaf de zee gezien), waar gemakkelijk water naar wegzijgt. |
|
De binnenduinrand kan worden vernat. Op sommige plaatsen geeft dit wateroverlast voor de landbouw, bijvoorbeeld voor de bollenteelt. Als maatregelen niet mogelijk zijn kan worden overwogen om de bollenbedrijven uit te plaatsen. De natuurkwaliteiten van de veenweidegebieden kunnen worden verbeterd door het waterpeil te verhogen. Door dit gebied te vernatten hoeft er wat minder te worden uitgemalen. Deze maatregel wordt vooral genomen om bodemdaling tegen te gaan. De toekomst voor de intensieve melkveehouderij is hierbij een probleem. Enerzijds door het voor de landbouw gewenste peilbeheer, anderzijds door de invloed op de waterkwaliteit. We kiezen ervoor dat de landbouw zich aanpast door extensivering en door te verbreden. |
Het commentaar onder A. slaat ook op dit punt. Ik voeg er nog een paar aan toe: 3. Natuurlijk worden de natuurkwaliteiten verhoogd bij hoger water in het veenweidegebied, maar ik ben het met Hein Krantz eens dat een 'onderhandelingsbod' van minder drooglegging dan 40 cm voor agrarisch gebied op dit moment zinloos is, dat plaatst je buiten de discussie. Die 40 cm zou al fantastisch zijn voor de periode tot zeg 2030. Ook met dát slootpeil is al een forse extensivering en verbreding nodig. 4. Het minder uitmalen bij vernatting is maar heel beperkt waar. Is het peil in de polder eenmaal omhooggebracht, dan heb je toch weer ongeveer dezelfde waterbalans (een overschot van enkele honderden mm per jaar). Die zul je toch echt moeten wegmalen, anders inundeer je de zaak. |
|
Er wordt gestreefd naar een meer natuurlijk peil, vooral in het veenweidegebied. In de winter natter dan in de zomer. Op deze wijze ontstaat er op maaiveldniveau een grotere bergingscapaciteit. Het verschil tussen zomer en winterpeil (plas/dras) bedraagt enkele decimeters en levert derhalve een (geringe) bijdrage aan de waterberging. Een meer natuurlijk peil is vooral van belang om schoon water te conserveren en is gunstig voor de natuur. Dit schone water kan in de zomer dienen om de verdroging van de natuur tegen te gaan. |
5. Hoger peil in de winter is inderdaad natuurlijker (zie ook onder A.) maar dat dit tot grotere bergingscapaciteit zou leiden is blatende nonsens. Het tegendeel is het geval. Retentie van schoon water is uitstekend tegen verdroging en is een handige schoonwatervoorraad, maar houd de argumenten zuiver en verdedig het niet op verkeerde gronden. 6. Hoger peil in de winter en (dus) lager peil in de zomer heeft nog een ander belangrijk nadeel waar we de ogen niet voor mogen sluiten: het bevordert de bodemdaling. In de zomer is de grondwaterspiegel immers hol en treedt dus naar verhouding aanzienlijk meer mineralisatie op dan in de winter. |
|
Er wordt een meer flexibel peil ingesteld. Een flexibel peil betekent dat het peil niet star op één hoogte wordt gehouden, maar dat het peil fluctueert afhankelijk van de hoeveelheid regen die valt. Daarbij wordt een streefpeil ingesteld met een minimum en maximum waarde. Na een regenbui wordt het water niet direct weggepompt. Het water wordt pas weggepompt als een van te voren vastgesteld maximum peil wordt overschreden. Als het peil door droogte beneden de streefwaarde komt wordt pas water ingelaten als het beneden het minimum peil komt. Een flexibel peil levert en kleine bijdrage aan de waterberging. In de bollenstreek is een flexibel peil waarschijnlijk niet mogelijk. |
7. Flexibel peil is een onmisbare voorwaarde voor zowel vasthouden als voor berging. Als je dit instrument niet hebt in het peilbeheer ben je als een timmerman zonder hamer. De stelling "flexibel peil levert en kleine bijdrage aan de waterberging" is nonsens. Flexibel peil (met peilverschillen van enkele decimeters tot wel 50 cm) levert wel degelijk een flinke bijdrage aan de retentie- en bergingsmogelijkheden, zelfs in de steden. Een bijkomend voordeel is dat het flexibele peil gunstig is voor de vitaliteit van oevervegetaties en zo kan bijdragen aan oeverbescherming en natuurwaarden in en langs hoofdwatergangen. Zie ook http://www.dsdelft.nl/~ind/oeverafslag.htm |
|
In Middendelfland kan op bescheiden schaal moeras worden ontwikkeld. Dit biedt goede mogelijkheden voor moerasvogels etc. Dit mag echter niet ten koste gaan van het open karakter en de cultuurhistorie. In de grotere droogmakerijen kan in de laagste gebieden meer open water worden gecreëerd. Daarnaast is het mogelijk om meertjes en watergangen te creëren met een meer recreatieve functie. De toekomst van Midden-Delfland moet ook gezocht worden in een verbetering van de ontsluiting voor recreatie. |
8. De indeling van de
concept-tekst wordt hier wel erg warrig. Een paragraaf over
berging blijkt alleen over Midden-Delfland te gaan. 9. Midden-Delfland heeft maar een paar droogmakerijen: de Woudse droogmakerij (die vol met glas staat), de Wateringveldsche Polder en de Oude Broekpolder. Door glas en verstedelijking is in deze droogmakerijen niet zo gek veel bergingsmogelijkheid meer. 10. De laatste zin "De toekomst van Midden-Delfland moet ook gezocht worden in een verbetering van de ontsluiting voor recreatie" is weinigzeggend en hoort hier sowieso niet thuis. |
|
De watergangen kunnen worden verbreed en worden voorzien van flauwe taluds. Vooral de Zweth biedt goede mogelijkheden om natuur en waterberging te combineren. |
11. In het provinciale plan voor de Groenblauwe Slinger is de Zweth (de zuidelijke, niet de Zweth op de grens van Westland en Midden-Delfland) gedacht als onderdeel van het groenblauwe lint, de kern van de slinger met royale oeverzones, min of meer doorlopend van Maasland tot Alphen a/d Rijn. |
|
Het gaat hier om bergingen tijdens wateroverlast. Vooral lagere polders in Midden-Delfland en in de omgeving van Zoetermeer zijn geschikt voor grootschalige berging. Landbouwers moeten hiervoor wel een vergoeding krijgen. Natuurgebieden kunnen een rol spelen bij de calamiteitenberging, maar dit zal heel beperkt zijn. Niet ieder natuurgebied is namelijk even geschikt hiervoor. Dit is afhankelijk van de waterkwaliteit, grondsoort en de natuurdoelen. Zo treedt in schraalland al snel schade op aan de vegetatie als er voedselrijk water wordt binnengelaten. Rietlanden en ook broekbossen zijn wat beter geschikt voor caiamiteitenberging. Deze gebieden kunnen echter niet te vaak onder water worden gezet. |
12. Calamiteitenberging houdt per definitie in dat het gaat om uitzonderlijke inundaties. Eens in de 10 jaar of zo. Robuuste systemen als rietlanden en broekbossen verdragen dat wel (het opnieuw ontstaan van pionierssituaties versterkt zulke ecosystemen), gevoelige natuur niet. |
Groen/blauwe mallen rond de steden en dorpen kunnen dienen als buffer tegen verdergaande verstedelijking. Combinaties met (calamiteiten)berging, recreatie en natuur bieden hier goede mogelijkheden. In het Consept project Stadsranden is een voorbeeld uitgewerkt voor de zuidelijke stadsrand van Gouda.
|
Langs De Nieuwe Waterweg kan aan de noordkant het estuarium-karakter worden hersteld. Binnendijks in de Oranjebuitenpolder en in de Lange en Korte Bonnen kunnen overgangen van zoet naar zout, nat naar droog worden gerealiseerd. Verschillende maatregelen leiden tot ecologisch waardevol getijdengebieden, die tevens een functie hebben voor waterberging en waterafvoer. |
13. Ik mis hier een dergelijke kijkop de duinen en kustlijn. De duinenrij tussen Den Haag en Hoek van Holland heeft een paar zeer zwakke plekken, m.n. bij Ter Heide. Het duingebied moet hier landinwaarts sterk uigebreid worden (toegegeven, het is iets voor de langere termijn, want met Westlanders 'regel' je dit niet eventjes). Dat kan door een slufter die zeker een kilometer het land in steekt, de zee krijgt er gelegenheid zand te deponeren. Zo'n lange termijn-plan kan mooi verbonden worden met het plan om het Westland te omringen met een natuurlijk 'hoefijzer'. |
|
De glastuinbouw wentelt teveel haar waterproblemen af op de omgeving. De grote dichtheid aan glasopstanden in het Westland maakt dat het gebied een groot verhard oppervlak heeft. Hierdoor stroomt regenwater snel af in het oppervlaktewater in plaats van eerst gebufferd te worden in de bodem. Verminderen van het verhard oppervlak en ruimte reserveren voor voldoende waterberging laat zich goed combineren met natuur en/of recreatie. De tuinbouwbedrijven kunnen ook zelf maatregelen treffen. Bijvoorbeeld door voorzieningen te maken dat een deel van het regenwater kan inzijgen onder het bedrijf. In stedelijk gebieden zijn mogelijkheden om water langer vast te houden, door bijvoorbeeld het verhard oppervlak zo beperkt mogelijk te houden. Dus alleen daar bestraten waar dat echt nodig is. Meer open bestrating i.p.v. gesloten bestrating: dus geen asfaltbestrating, maar klinkers. Tevens kunnen watergangen e.d. worden verbreed. Een gescheiden rioleringssysteem kan er voor zorgen dat regenwater van de daken en wegen afstroomt naar waterbergingslocaties. Deze waterbergingslocaties kunnen worden gecombineerd met natuur en water. |
14. Wat het glas betreft ontbreekt hier geheel de waterkwaliteitskant. De lagere 'bezettingsgraad' is absoluut nodig om de milieukwaliteit in het gebeid te verbeteren. Dat kan behalve met bronmaatregelen ook met natuurlijke elementen, die er voor moeten zorgen dat de milieubelasting (m.n. van het water) door het landschap wordt 'verwerkt'. De verdere verschuiving van groenteteelt naar sierteelt in de glastuinbouw is erg ongunstig, omdat de milieubelasting van de sierteelt veel hoger is. De retentie in het stedelijke gebied kan aanzienlijk toenemen door ook daar
|
Jacques Schievink, 4 juni 2001 | homepage Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | ind@datadelft.com