deelstroomgebiedvisie Midden-Holland

Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

samenwerking van Commissie Natuur en Milieu, Imkervereniging, IVN, Milieudefensie, Milieukompas, Natuurwacht, Vogelwacht en Werkgroep Groenbeheer Nootdorp-Leidschendam | contactadressen: Leen van Doorn, Bizetstraat 23, 2625 AV Delft, tel. (015)2561141, Gert Jan Majoor, Gandhilaan 67, 2622 GD Delft, tel. (015)2617728, Bertus Laros, Oostblok 160, 2612 PG Delft, tel. (015)2140836 en Jacques Schievink, Maerten Trompstraat 17, 2628 RB Delft, tel. (015)2617035 (werk: (015)2782124; fax (015)2787585; e-mail ind@datadelft.com | website: www.datadelft.com/~ind

Links:

Beleidsplan Milieu en Water

Waterbeheersplan 1999 Delfland

openingspagina Initiatiefgroep

Delft, 12 juli 2003

Betreft: adviesronde deelstroomgebiedvisie in het werkgebied Midden-Holland

Provincie Zuid-Holland
stuurgroep Deelstroomgebiedvisies in het werkgebied Midden-Holland
t.a.v. Karen Raab
Postbus 90602
2509 LP Den Haag

Geachte stuurgroep,

In het "Ontwerp Deelstroomgebiedvisie in het Werkgebied Midden-Holland" hebben wij de informatie die nodig is voor het maken van keuzen op het gebied van water- en ruimtelijke-ordeningsbeleid, compact en overzichtelijk bij elkaar gevonden. De teksten en vooral de mooie kaarten over de gebiedsopbouw, knelpunten en kansen, en streefbeelden vormen een rijke bron.

Een belangrijk inzicht dat uit de informatie naar voren komt is dat door versnelde zeespiegelstijging en de heftiger neerslag- en droogtepieken, een kwalitatieve omslag in het waterbeheer (en daarmee ook bodembeheer) op til is. Het klassieke polderwaterbeheer bijvoorbeeld loopt door een sluipend proces van bodemdaling tegen grenzen aan, niet alleen van wat met bemaling en inlaat kan worden beheerst, maar ook van verzilting en veiligheid.

Erg verhelderend ook is de vergelijking van de hoeveelheid water die in extreme situaties moet worden geborgen en afgevoerd, en de hoeveelheid water die "geconserveerd" moet worden (p. 29): een verhouding van 1 : 10. Sinds de achtereenvolgende jaren van wateroverlast (1998-2001) was in menige discussie de aandacht voor de waterbehoefte en verdroging op de achtergrond geraakt, en dat beeld wordt met deze cijfers (hoe ongelijksoortig de problematiek van beide ook is) gecorrigeerd.

De gebiedvisie bevat enkele duidelijke uitspraken. Op p. 34 wordt voor het geval van de Zuidplaspolder vastgesteld dat de glastuinbouw nabij Nieuwerkerk niet duurzaam is en de woningbouw op de locatie Westergouwe vanuit het gezichtspunt van waterbeheer slecht gekozen is.

Tegenover zulke, overigens niet zeer talrijke, concrete uitwerkingen van de gebiedvisie staan evenwel ook belangrijke weifelingen, zaken waarop nog gestudeerd zou moeten worden.

- Op p. 19 wordt slechts naar procesafspraken toegewerkt en wordt de keuze tussen vernatting en beperkte drooglegging in het veenweidegebied nog ontlopen.

- Gelet op eerdere door de provincie Zuid-Holland ingenomen standpunten (bijvoorbeeld in het kader van het Beleidsplan Milieu en Water* ) over een o.i krampachtige aanpak van verzilting, is deze gebiedvisie een stap vooruit. Zo wordt (o.a. op p. 32) een opening gemaakt naar "aanpassing van het grondgebruik aan brakke/zoute omstandigheden ...". Maar op een andere plaats (p. 36) slaat de twijfel weer toe: "Het is nog een discussiepunt of de bestrijding van de verzilting majeure investeringen rechtvaardigt (...) of dat geaccepteerd wordt dat het oppervlaktewater in een aantal deelgebeiden zouter is dan in de huidige situatie geaccepteerd wordt." Wij pleiten ervoor om het "meeveren met de natuur" hier niet uit het oog te verliezen en korte-termijn belangen niet te laten prevaleren.

Wij merken bovendien op dat het verhogen van de waterpeilen in verziltende, diepe droogmakerijen niet altijd soelaas zal bieden. Het kan veroorzaken dat het brakke grondwater in een nabijgelegen gebied opkwelt. De verhoging van het peil in zo'n droogmakerij kan ook de landbouw verdrijven, waardoor een functieverandering alsnog aan de orde is - waar het de bedoeling was om de functieverandering te ontgaan.

- in de gebiedvisie zijn o.i. de milieupaspecten zeker niet afwezig, maar toch wel onderbelicht gebleven. De trofie is in alle poldergebieden van Midden-Holland veel te hoog, en de effecten van de aanpak bij de punt- en diffuse bronnen blijven veelal nog uit. Een hardnekkig probleem dus. Wij pleiten ervoor om aan het vermogen van het watersysteem zelf om milieuebelasting op te nemen en af te breken, nadrukkelijker dan nu in de gebiedvisie staat (o.a. op p. 66) prioriteit te geven. De hoofdwatergangen, de sloten en slootjes van polders bavatten doorgaans slechts armelijke levensgemeenschappen. Door inrichting en beheer van oevers en water bewuster in te zetten voor bestrijding van de eutrofiëring (het zg. "structuurspoor") kan enerzijds de ecologische waterkwaliteit aanzienlijk worden verbeterd en kan anderzijds een belangrijke bijdrage worden geleverd aan verbetering van de kwaliteit van natuur en landschap. Omdat bij deze aanpak (het herintroduceren van) peilschommelingen een belangrijke voorwaarde is en de oeverzones dikwijls verbreed en geherprofileerd moeten worden, draagt deze aanpak ook weer bij aan mogelijkheden voor vasthouden en bergen van neerslag en beperking van inlaat. Het is een zwaard met meer dan twee scherpe kanten.

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent

Met vriendelijke groeten,

Jacques Schievink

Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft
Reactie op commentaar deelstroomgebiedvisie

Ontwerp Deelstroomgebiedvisie Midden-Holland, nota van beantwoording en nota van wijzigingen, april 2004

Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

1. Heeft in het Ontwerp Deelstroomgebiedvisie de informatie, die nodig is voor het maken van keuzen op het gebied van water- en ruimtelijk-ordeningsbeleid, compact en overzichtelijk bij elkaar gevonden.

Reactie: Wordt in dank aanvaard.

2. Vindt de vergelijking van de hoeveelheid water die in extreme situaties moet worden geborgen, afgevoerd en geconserveerd (pagina 29), erg verhelderend.

Reactie: Wordt voor kennisgeving aangenomen.

3. Vindt dat het Ontwerp een aantal duidelijke uitspraken bevat, zoals op pagina 34 genoemde niet duurzame glastuinbouwlocaties in de Zuidplaspolder en de vanuit waterbeheer slecht gekozen woningbouw op de locatie Westergouwe.

Reactie: Wordt voor kennisgeving aangenomen.

4. Geconstateerd wordt dat er nog onduidelijkheden zijn waarop gestudeerd zou moeten worden, zoals de ontwikkeling van veenweidegebieden.

Reactie: De provincie Zuid-Holland heeft een stappenplan opgesteld voor de verdere discussie over de toekomst van het veenweidegebied. In het najaar van 2003 zal de discussie over de toekomst starten. Belangrijke thema's zijn hierbÿ de bodemdaling, en de perspectieven voor de grondgebonden veehouderij.

5. Signaleert naast concrete uitwerkingen ook weifelingen en zaken waarop nog gestudeerd moet worden, zoals pagina 19 waar de keuze tussen vernatting en beperkte drooglegging in het veengebied ontlopen wordt.

Reactie: Wordt voor kennisgeving aangenomen.

6. Constateert dat het Ontwerp een stap vooruit is ten opzichte van eerdere door de provincie Zuid-Holland ingenomen standpunten, bijvoorbeeld de krampachtige aanpak van verzilting.

Reactie: Wordt voor kennisgeving aangenomen.

7. Gepleit wordt voor 'meeveren met de natuur' als het gaat om verzilting.

Reactie: Indien gekozen wordt voor acceptatie van verzilting, dan is een goede hydrologische isolatie van zoet water van belang om te komen tot stabiele brakke aquatische systemen.

8. Merkt op dat het opzetten van peilen in diepe droogmakerijen niet altijd de oplossing is, omdat het brakke grondwater in een nabijgelegen gebied op kan gaan kwellen. Bovendien kan een verhoging van het peil de landbouw in een droogmakerij verdrijven.

Reactie: De genoemde effecten kunnen inderdaad optreden. Voordat peilen daadwerkelijk worden opgezet zal lokaal een gedegen geohydrologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd.

9. Vindt de milieuaspecten in het Ontwerp onderbelicht. Pleit ervoor om nadrukkelijker, dan nu (pagina 66), prioriteit te geven aan het vermogen van het watersysteem zelf om milieubelasting op te nemen en af te breken.

Reactie: De tekst zal op dit punt worden uitgebreid.

10. Geeft aan dat door inrichting en beheer van oevers en water bewuster in te zetten voor bestrijding van de eutrofiëring de waterkwaliteit enerzijds aanzienlijk verbeterd kan worden en anderzijds een belangrijke bijdrage aan de verbetering van natuur en landschap geleverd kan worden.

Reactie: Dit wordt onderschreven. Vanwege het grotere abstractieniveau is in de DSGV niet ingegaan op inrichting en beheer van oevers.