Liever geen CDA-kamerleden in de natuur

(NRC-H)

Het standpunt van de CDA-kamerleden Ormel en Schreijer-Pierik (beiden niet onbekend als pleitbezorgers van de jagerslobby en dus zeer vertrouwd met het plaatsvervangend scheppen van kadavers) om kadavers van groot wild en runderen niet in onze natuurgebieden te laten liggen, wekt bij mij geen verbazing. Dat zij het in de krant durven zetten, dat is wel brutaal.

In het christelijk gedachtengoed - mind you, er zijn christenen met genoeg gezond verstand om er als het zo uitkomt afstand van te nemen &endash; is de natuur het object van menselijke exploitatie, de mens is tenslotte niet voor niets uitverkoren, en dat betekent in die ogen ook dat zulk kadaverbeleid voor de intensieve veehouderij geen risico's mag opleveren. We herinneren ons maar al te goed dat er ten tijde van de vogelpest-crisis geluiden opgingen om alle overvliegend wild maar uit de lucht te maaien. Vliegende vogelpestbommen, dat zijn onze vogels in de ogen van de (pluim)vee-exploitanten en hun woordvoerders die niet op 10.000 meer of minder wreedheden per dag kijken. We hebben het hier over Rentmeesterschap.

"Dood hout sterft het van het leven" is zo ongeveer het motto van het bosbeheer dat sinds de stormen van de jaren '70 ingang heeft gevonden. Dat is enorme winst. De logica ervan begint zich nu ook uit te strekken tot de fauna. Als we de ijver van de CDA-kamerleden volgen en de dood uit onze omgeving bannen, wordt het met het leven niks meer, zo zou je dat inzicht kunnen samenvatten.

Ormel en Schreijer betogen dat de habitats van grote zoogdieren al lang geen natuurlijke habitats meer zijn, maar afgesloten door menselijke activiteit. "Weliswaar", schrijven zij, " is men druk doende om een ecologische hoofdstructuur aan te leggen ...." maar - daar komt het verhaal vervolgens op neer - we moeten dat natuurlijk niet overdrijven. De ecologische hoofdstructuur is er voor het kleine spul, het afgeknotte ecosysteem als het ware. Edelherten en wilde zwijnen de kans geven van de Veuwe af te dalen, te fourageren langs rivieren, daar moet je toch niet aan denken? Het is niet in het belang van die dieren, en zeker niet in dat van automobilisten "die op onverwachte plaatsen een edelhert op hun moterkap kunnen krijgen."

De CDA-kamerleden zijn als de dood (sic) voor de infectiedruk die van die kadavers uitgaat, maar ik heb hen merkwaardig genoeg nog nooit straf zien optreden als het ging om de kadavers (of stukken daarvan) die de Nederlandse bevolking in onveilige koelkasten opbergt als het gaat om de misselijke producten van het overgrote deel van de Nederlandse vleesindustrie. Dan is het de bedrijfskolom "intensieve vleesmakerij" waar men zich om bekommert.

Tot hun gedachtengoed (mevrouw Schreijer kan men gevoeglijk beschouwen als dé ondergraver van de flora en faunawet) behoort bijvoorbeeld dat dieren die men als slimmer dan mensen kan beschouwen - kraaiachtigen, vossen, allerlei soorten ratten, roofvogels - steeds weer met doorzichtige smoezen en met vergoelijking van de afschuwlijkste wreedheden vrij laat bejagen, in vallen laat sterven of met uit een "beheergeweer" afkomstig schot hagel vermoordt. Tot die rotsmoezen behoort steevast ook de bescherming van weidevogels tegen vossen als reden om vossen over de kling te jagen, waar de weidevogels hun leefgebied veeleer verliezen door smakeloze nieuwbouwwijken en mans genoeg blijken kun neststrategie zodanig aan te passen dat de nieuwe predatoren minder kans hebben.

Erg esthetisch zijn rottende kadavers niet, daar hebben Ormel en Schreijer volkomen gelijk in, maar een rottend en stinkend gedachtengoed, dat is ook geen pretje.

Jacques Schievink

Delft, 8-10-2003