Korte notitie over de relevantie van BvN Polder van Biesland voor Hoogheemraadschap van Delfland

In het Boeren voor Natuurplan voor de Polder van Biesland komen verschillende thema's voor die in Delfland's beleid een vooraanstaande rol spelen. In het gebiedsdocument wordt het belang van de verschillende wateraspecten vooral bekeken met het oog op natuur en landschap. In het onderstaande probeer ik een voorzet te geven voor het antwoord op de vraag: Wat heeft Delfland aan het plan?

I. De waterthema's

- waterkwaliteit

a. geen of sterk verminderde afspoeling van eutrofiërende stoffen van de graslanden naar sloten en hoofdwatergangen (beleidsthema diffuse bronnen - dit aspect is na de uitspraak van het Europese hof (het mestvonnis) van extra gewicht voor de agrarische sector). Deze vermindering van uit- en afspoeling wordt bereikt door een sterk verschralend landgebruik en ontwikkeling van oevervegetatie en niet zozeer door spuit- en mestvrije perceelsranden.

b. inzet van oevervegetatie voor natuurlijke zuivering (én voor productie van biomassa voor bedrijfsvoering). [In een voorstudie voor de Vierde Nota Waterhuishouding werd berekend dat het inzetten en herstel van goed begroeide oeverzones een belangrijke bijdrage zou leveren aan het terugdringen van de trofie in sloten].

c. inzet van (extensiever) peilbeheer dat het polderpeil meer laat fluctueren met de natuurlijke aan- en afvoer van water en dus breekt met het regime van hoog zomer- en lager winterpeil. In het bijzonder voor oevervegetatie zijn hiervan gunstige effecten te verwachten. De winterse bergingscapaciteit loopt er iets door terug (ca 5000 m3), maar deze hoeveelheid kan anderzijds weer worden beschouwd als 'conservering'. [Het peilbesluit is door Delfland reeds in deze zin aangepast, waarbij bovendien verschillende peilvakken zijn opgeheven.]

d. toepassing van biezenvelden voor zuivering van ingelaten boezemwater. In de Bieslandse Bovenpolder is dit al gerealiseerd (mede mogelijk gemaakt door subsidie van HHDelfland), maar ook in de Polder van Biesland staat dit op het programma, nl. bij het inlaatpunt aan de noordoostkant.

- oeverbescherming

tegengaan van oeverafslag middels bevordering van vegetatieontwikkeling op oevers. [Delfland heeft het voortouw genomen bij een uitvoerige proef langs het oostelijke deel van de hoofdwatergang in de polder.]

- waterkwantiteit

De Polder van Biesland is als diepe droogmakerij, waarin zich bovendien aanmerkelijke hoogteverschillen voordoen, en door minder schadegevoelige functies, geschikt voor waterberging op het maaiveld. Een vluchtige berekening leert dat er zonder bijzondere extra maatregelen 80.000 m3 kan worden geborgen, zonder dat woningen en bedrijfsruimten in het water komen te staan. Denk daarbij aan een waterschijf van 20 cm over 35 ha (70.000 m3), plus de 'vulling' van 2,5 ha sloten met een drooglegging van 40 cm (10.000 m3).

De inundaties van de jaren 1998-2001 lieten zien dat door een opvallende zijging en de plaatselijk niet ver onder de oppervlakte liggende zandlagen het overtollige water doorgaans in een week wegzijgt en niet allemaal hoeft te worden weggemalen.

Hiermee zijn slechts omvang en mogelijkheid van waterberging aangegeven. Andere aspecten die daarbij moeten worden bekeken zijn:

1- past berging in de Polder van Biesland in Delfland's beleid?

2- zijn de gevolgen van inundatie(s) verenigbaar met de aanpak van Boeren voor Natuur (m.n. verschraling)?

1. De relevantie van de Polder van Biesland voor waterkwantiteitsbeleid van Delfland is terug te vinden in diverse, kakelverse beleidsdocumenten:

• het Streekplan Zuid-Holland West (februari 2003). Hierin (zie kaart 8) wordt het gebied van de Grote Plas in de Delftse Hout aangeduid als "piekberging" en de Polder van Biesland als "zoekgebied piekberging".

• de Deelstroomgebiedvisie Midden-Holland (concept, juni 2003). In het programma tot 2015 (kaart op p. 51) wordt de Polder van Biesland aangeduid als "geschikte locatie voor waterberging".

• de Waterkansenkaart Oostland (november 2002) stelt voor de Polder van Biesland geen watereis, maar wel waterwensen, nl. potentiële piek- of calamiteitenberging en als zoekgebied voor waterconservering.

en, het meest direct, in Delfland's

ABC-Delfland, Water binnen veilige kaders (juli 2000). In Bijlage 1 van dit stuk worden tal van projecten uitgewerkt. Daarvan maakt ook deel uit "Berging langs de Schie". Hoewel de Polder van Biesland ca. 1500 meter van de boezem verwijderd is, kan het m.i. toch beschouwd worden als gelegen bij de boezem, zeker als de watergang langs de Korftlaan nog wordt verbreed (wat sowieso de bedoeling schijnt te zijn).

Bij het functioneren als bergingsgebied moeten drie wezenlijk verschillende varianten worden onderscheiden:

  • inundatie als gevolg van een maalstop;
  • calamiteitenberging;
  • piekberging.

    Deze verschillen in bergingssoorten zijn ook zeer van belang bij vraag 2.

    De kosten van de bergingsprojecten die in het ABCD-plan zeer ruw zijn begroot, lopen uiteen van ca 6 Euro tot enkele tientallen Euro per m3 berging. Het medegebruik en eventuele inrichtingsuitgaven zijn van invloed op deze kosten. Bij grondverwerving lopen de uitgaven flink op, maar daar staat tegenover dat de waarde van de verworven grond wel op de balans verschijnt.

2. Bij vraag 2 gaat het om de beoordeling of door de stoffen die door het inundatiewater worden meegevoerd naar het bergingsgebied aan de ambities die in het gebiedsdocument zijn geformuleerd, geen afbreuk wordt gedaan. Voor de drie varianten zijn er aanmerkelijke verschillen.

  • Maalstop. Op grond van de inundaties uit recente jaren kan worden aangenomen dat het water op het maaiveld nauwelijks slibdeeltjes achterlaat. Anders dan bijvoorbeeld de inundaties van de Polder van Berkel, die door het vele slib sterk "vergrijsd" was nadat het water was weggepompt, liep de Polder van Biesland slechts een paar kroosblaadjes op.
    Verder aannemend dat de gehele last van N en PO4 op en in de bodem achterblijft, en ook nog eens aannemend dat bij de wateroverlast géén verdunning van de trofie in het aangevoerde water uit de Noordpolder optreedt, gaat het om een aanvoer van enkele kg N per ha en ca 1 kg PO4 per ha. Deze hoeveelheden zijn zelfs ten opzichte van de lichte bemesting in het BvN-plan klein (enkele procenten).
    De mogelijk gunstige effecten op de flora van de graslanden van deze overstromingen laat ik buiten beschouwing; dat is vooralsnog te speculatief en mede afhankelijk van de flora-ontwikkeling in het natuurgebied in de Noordpolder.
  • Calamiteitenberging. Deze vorm van berging wordt in het streekplan ZH West omschreven als een noodvoorziening die niet speciaal is ingericht voor berging, géén deel uitmaakt van het watersysteem en alleen in uiterste nood, als ook de piekbergingen zijn volgelopen, wordt gebruikt. De frequentie van het gebruik van zo'n berging is dus lager dan die van een piekberging.
  • Piekberging. Het grote verschil tussen de inundatie die optreedt als gevolg van een maalstop en die van een piek- of calamiteitenberging is de sliblast in het inundatiewater.
    De waterkwaliteit van polder- resp. boezemwater is niet erg verschillend. De belasting van N en PO4 uit het inundatiewater is dan ook in dit geval klein en geen beletsel inundatie te accepteren.
    Door de aanvoer van slib bij inundatie in de winter evenwel kan een belasting van N en PO4 optreden die in de orde van grootte van 20% van de jaarhoeveelheid ligt [1]. Voor enkele beoogde, kwetsbare vegetatietypen zou dit funest kunnen zijn.
    Er is nog wat studie nodig om hierin een definitief standpunt te kunnen bepalen. Enkele recente artikelen [2, 3] werpen een nieuw licht op bemesting en biodiversiteit. Bovendien is het wellicht denkbaar dat bij de inlaat een voorziening voor de opvang van het slib wordt getroffen.

    [1] De effecten van waterberging op natuur en landbouw, E. Blom e.a., H2O 36/18, p. 26

    [2] Kansen of risico's voor vochtig schraalland bij inundatie?, H. Visser e.a., H2O 36/20 p. 20

    [3] Hooiland gebruik en botanische diversiteit: is bemesting altijd een bedreiging?, T. Oomes & A. van der Werf, De Levende Natuur 104/5.

Behalve schade aan de natuurontwikkeling treedt ook schade aan de agrarische bedrijfsvoering op. Deze is sterk afhankelijk van het seizoen. In het vroege najaar is de schade matig, in het begin van de winter klein en in het vroege voorjaar aanzienlijk [1].

II. Financiering, blauwe diensten, pilot

Aan de hand van bovenstaande punten kan een poging ondernomen om te zien of het belang van Delfland (i.c. beleidsopgaven) in BvN Polder van Biesland zich laat vertalen in een bijdrage aan het beoogde fonds. Het kan ook zijn dat men bij Delfland de participatie liever giet in bijdragen in projecten, of betaling van "blauwe diensten", omdat deelneming in een fonds o.a. het ontwikkelen van een duurzame juridische verankering vraagt.

Omdat het bij het PvB project gaat om een proefproject, waarbij wordt beproefd wat de effecten van het concept op de bedrijfsvoering en op natuur en landschap zijn, kan overwogen worden de financieringsvorm van de pilot deel uit te laten maken. Deze kant van het proefproject kan Delfland bovendien gebruiken om ideeën te ontwikkelen t.a.v. blauwe diensten.

Jacques Schievink, 2 november 2003