Initiatiefgroep
Natuurbeheer in Delft beginpagina
| archief
nieuwsbrieven |
plannen
en commentaar op plannen
| TU
Noord Delft, 4 september
2007 Aan de leden van de Delftse
gemeenteraad met bijlage In de 2e versie van de
Evaluatie Bomenbeleid die wij onder ogen kregen, zijn zeker
opmerkelijke passages te vinden. Op enkele plaatsen kan men
zelfs worden verrast, nl. waar het boetekleed wordt
aangetrokken en dat er knelpunten zijn. Maar dat maakt nog
niet dat in het stuk met de titel "Bomenbeleid in
perspectief" een wenkend perspectief kan worden
ontwaard. We proberen dit gebrek aan
perspectief en de overmaat aan tekortkomingen nader te
onderzoeken aan de hand van enkele passages in de 10
pagina's tekst. In de Inleiding wordt
terecht opgemerkt dat bomen in een stad belangrijk zijn. Aan
een analyse van wat dan zo belangrijk is aan die stedelijke
boom komt het stuk echter niet toe. Men - de kerngroep
evaluatie bomenbeleid - komt niet verder dan "ze geven sfeer
en karakter aan hun omgeving, versterken de natuur en dragen
bij aan een schoon en prettig woon- en leefmilieu."
Werkelijk niets meer dan dat. De ambtenaren van het
bomenloket hadden even in het zo genegeerde ecologieplan
kunnen kijken (p.13): "Beplanting biedt niet alleen een
groene omgeving en ruimte voor biodiversiteit maar reguleert
ook allerlei natuurlijke processen voor opname en afbraak
van stoffen. Het heeft onder meer een gunstige werking op
het klimaat, de luchtkwaliteit, de waterhuishouding, de
windkanalen en geluidsoverlast in de stad." Door op een
oppervlakkige manier de bomen in de stad onder loep te
nemen, komt van een veelzijdige - d.w.z. ecologische,
milieuhygiënische, cultuurhistorische,
stedenbouwkundige - benadering natuurlijk niets terecht en
blijft ook de zelfkritiek van de gemeente op de kwalijke
praktijk van de afgelopen jaren (zie volgende §) in
vrijblivendheid steken. We durven zelfs de stelling aan dat
dit tekort aan perspectief het groen- en milieubeleid van de
gemeente grote schade toebrengt, omdat de kwestie van de
bomen in een eng omschreven domein wordt gezien waardoor een
brede visie op groenbeleid en -beheer en de creatieve
oplossingen die voor problemen met bomen zouden kunnen
worden gevonden, buiten beeld blijven. De enghartige benadering
blijkt al meteen in een volgende regel, waarin wordt
opgemerkt dat de groeiomstandigheden in de stad verre van
ideaal zijn en dat het daarom (wat een vreemde logica!))
essentieel zou zijn om bomen gezond te houden. Wij willen
vanzelfsprekend niet pleiten voor ongezonde standplaatsen
van bomen, maar wijzen er wel op dat bomen in de vrije
natuur onderhevig zijn aan concurrentie van andere al dan
niet houtachtige planten, van predatoren en ziektekiemen,
van de dynamiek van bodem, water en lucht, e.a. De
eenzijdige, typisch cultuurtechnische benadering van de
stedelijke bomen is buitengewoon steriel en leidt maar tot
onderwaardering van het ecosysteem dat een boom of bomenrij
vertegenwoordigt en de grotere systemen waarvan de bomen
weer deel uitmaken. Het leidt bovendien ook tot een
onderschatting van de betekenis van bomen die een beetje
scheef staan, of waar een holte in zit, of die tot een zg.
niet-duurzame soort zouden behoren, etc., en het doet de
geloofwaardigheid van de gemeentelijke inrichters geen goed
omdat die immers voortdurend aandringen om eensoortige
bomenbestanden waar plaagdieren en ziektekiemen van kunnen
smullen en die eigenlijk alleen maar bijdragen aan hun eigen
eeuwigdurende werkgelegenheid. Dat de evaluatie er zelfs
niet in slaagt om op het idee te komen een onderscheid te
maken tussen laanbomen en bomen die een rol spelen in een
grotere en gevarieerde groeneenheid - een bosplantsoen, een
park, een trapveldje - geeft ook al zeer te denken. Zo komt
het hele begrip "bosplantsoen" niet in het stuk voor en
worden deze rijke levensgemeenschappen van mossen, kruiden,
struweel, bomen en van de daarbij behorende fauna totaal
over het hoofd gezien. Nu is dat laatste na 15 jaren
systematisch wanbeheer van deze sierraden van stadsnatuur op
zichzelf bedroevend gemakkelijk geworden in deze stad, maar
desalniettemin is het beschamend dat het in de evaluatie
niet voorkomt. Bomen zijn voor de evalueerders kennelijk een
soort lantaarnpalen. Problemen met bomen die zich
altijd wel bij stadsontwikkelingsvraagstukken zullen
voordoen, maar die juist kansen bieden aan andere typen
stadsnatuur, komen in zo'n in zichzelf opgesloten
bomenbeleid al helemaal niet hun recht. Zo kan het - het
meest voor de hand liggende voorbeeld - voor de natuur van
water en oevers dienstig zijn een boom of bomenrij wordt
opgeofferd of verplaats om de overmatige bladval in het
oppervlaktewater te verhinderen. Het scheppen van een rijk
water- en oeversysteem is soms een dergelijk offer waard,
maar met suffe, bureaucratisch geïnpireerde visies gaat
dat niet lukken. Ook het frequente schoffelen
van boomspiegels (bij uitstek als er wilde planten groeien),
het snoeien van waardevolle stambegroeiingen (we denken m.n.
aan de fraaie "stoelen" van lindes) en het eeuwige gesmeek
om het aandragen van enge plekken heeft de notitie niet
gehaald. De relatie met het bomenbeleid is de kerngroep
geheel ontgaan
Waarom werd er een jaar of 4
geleden door het gemeentebestuur toch zoveel belang gehecht
aan de vermindering van de regels voor bomenkap? Het ging
immers maar, zoals in de Bomennota 2004 ook staat, om
gemiddeld een 160 bomen per jaar, en waarom zou je voor dat
beetje administratie de regels omtrent dikte van bomen,
afstand tot gevels, de boomsoorten etc. überhaupt
willen veranderen? De aap kwam in 2005 uit de
mouw. In de 2e helft van dat jaar kwam een lawine aan
kapvergunningaanvragen op gang, dikwijls met de meest
bizarre motiveringen (boom heeft minder dan 10 jaar te
leven, boom is te groot). De toenmalige bouwwethouder werd
er over in het duurzaamheidsplatform aan de tand gevoeld, en
zuchtend en steunend bekende hij dat de ambtenaren de
motiveringen weer eens verkeerd hadden opgeschreven. De
aanwezigen kregen vervolgens een tekst opgestuurd met de
"verbeterde" motiveringen, maar er deugde nog altijd niets
van, wat ons betreft. Het "bomenbestand op peil
houden", zoals in het gewillige papier vertelt, is daarna
allerminst gelukt. De evaluatienota bevestigt de indruk die
elke Delftse burger er wel van zal hebben gekregen, nl. dat
"de afgelopen drie jaar zijn per jaar 1100 bomen gekapt en
zijn gemiddeld 660 bomen per jaar "uit het stadsbeeld
verdwenen"". (Het zou interessant zijn eens uit te rekenen
wat het nadelige effect op de lokale luchtkwaliteit zal zijn
geweest!) Dat saldo staat in schril contrast met de
relativering dat het allemaal maar om 160 bomen per jaar zou
gaan (zie boven) en dat het bomenbestand op peil zou worden
gehouden. Een recent geval - bomenkap Julianalaan 132-134 -
laat zelfs zien dat de gemeente zonder kennis van het
bouwplan toch een kapvergunning heeft verleend
(http://ind.datadelft.com/wvpt.htm), aldus de beleidslijn in
de Bomennota 2004 bewust verkrachtend. "Bij nieuwbouw of
herstructurering van bestaande bouwpercelen of van de
openbare ruimte blijkt niet altijd voldoende aandacht te
zijn voor de bestaande bomen (en groenstroken), waardoor
bomen kunnen verdwijnen. In elke fase van het planproces
moet daarom aandacht zijn voor het belang van bomen. Bij de
afgifte van bouwvergunningen wordt nog niet altijd voldoende
getoetst of afspraken over het behoud van bestaande bomen
zijn nagekomen (bijvoorbeeld de randvoorwaarden in het
bestemmingsplan) of dat bestaande bomen mogelijk behouden
hadden kunnen worden door het plan enigszins te wijzigen."
Maar nog veel schrijnender
is dat het gemeentebestuur het doet voorkomen alsof het hier
om een natuurverschijnsel gaat waarop zij geen invloed heeft
kunnen hebben. Wij weten maar al te goed dat het doorzetten
van omstreden bouwprojecten de gemeente heeft verleid tot
laakbare manoeuvres om bouw door te zetten, soms zelfs met
misbruik naar het Ecologieplan 2004-2015. (Naderhand bleek
ook in een publicatie van GroenLinks, dat de bewuste
wethouder dat Ecologieplan juist ook met misbruik als doel
had laten opstellen - misbruik met voorbedachte rade.) De
overmatige kap van bomen en van andere belangrijke
stedelijke groenelementen in de afgelopen drie jaar is wel
degelijk door de gemeente bewust op touw gezet, ten koste
van gemeentelijk groen, stadsnatuur en de bewoners die
daarvan genieten. Van een gebrekkige communicatie tussen
diensten bleek bij dat alles weinig, eerder was sprake van
boos opzet, en goed geregisseerd ook nog. En evenmin kunnen
wij ons herinneren dat de politieke partijen in hun
verkiezingsprogramma's en het college met zijn
coalitieaccoord iets hebben geponeerd dat aan deze
destructie van de leefbare stad een legitieme basis
verschafte. Citaat: "Van de grote
projecten worden vaak lang vooraf kapvergunningen
aangevraagd, waarbij de kap of verplaatsing pas plaatsvindt
bij daadwerkelijke uitvoering van het project". Uit deze
passage op p. 2 zou men kunnen afleiden dat de gemeente
tegenstander is van kap van bomen zonder verleende
bouwvergunning. Ook dat is in tegenspraak met het
daadwerkelijk gemeentelijk handelen. Het primaat van bouwen
(wat is nou een wethouder van een gemeente met minder dan
100.000 inwoners nietwaar?) is zo sterk geweest de afgelopen
jaren dat de gemeente in enkele gevallen het risico heeft
willen nemen om te kapppen - en nog wel zonder herplant -
waar er zelfs nog geen zicht was op een bouwvergunning. De
angst voor vertraging van de bouw zat er diep in - hoe
onwetiig deze schendingen van het rechtsgevoel ook zijn. Zou
dit de opstellers echt niet bekend zijn? In najaar 2005, in een
commentaar op het voorontwerp bestemmingsplan TU-noord,
hebben wij het gemeentebestuur al omstandig laten zien dat
het concept van de "compacte stad" bij het toenmalige
gemeentebestuur niet in verkeerde handen was. Het concept -
afkomstig uit het ecologische repertoire, uitgaand van grote
natuurlijke en halfnatuurlijke landschappen in de directe en
wijdere omgeving en werkelijk gekaapt door cynische lieden
uit de Delftse bestuurderskaste - werd immers grotelijks
misbruikt om natuur en leefmilieu in een enigszins groene
wijk als TU-noord - met overigens al bedenkelijke
luchtkwaliteit - van zijn aantrekkelijkheid te beroven. In
het toenmalige college waren bouwprojecten heilig, bewoners
en stadsnatuur een stuk minder. Men ging bovendien voorbij
aan de vaststelling uit de Ontwikkelingsvisie 2025 dat Delft
al lang een compacte stad is, reden te meer om af te zien
van verdichtingen en functieveranderingen als die tot hogere
milieu- en ruimtedruk leiden. Zou het huidige college dit
wanbeleid willen ombuigen? We citeren: "Alleen (nieuwe)
wijken met veel ruimte bieden daarvoor (voor het vergroten
van het bomenbestand, red. p. 3) kansen. Het beleid moet er
daarom vooral op gericht zijn 'te behouden en verbeteren wat
we hebben'." Goedwillende tekst. Laat maar zien, voegen we
het gemeentebestuur toe, en draai bestemmings- en
ontwikkelingsplannen die het niet-behouden en het
niet-verbeteren zo nadrukkelijk inhouden, onmiddellijk
terug. Onze complimenten overigens
voor de humor die spreekt uit de vermelding van de
"landelijke expert" die bereid was tegen een goed honorarium
te verklaren dat "het beleid in Delft in vergelijking tot
andere Nederlandse gemeenten zeer vooruitstrevend is". Wij
kunnen u uit de eerste hand verzekeren dat de gemeente Delft
een modderfiguur slaat, en de hier actieve
projectontwikkelaars (die hebben een goede neus voor
volgzame regenten) al evenzeer. [Zie voor
aanvullend commentaar op de van groen beroofde stad de
bijlage, een groot interview
met Richard Louv in NRC-Handelsblad van 8 september
2007.] Het gemeentelijk bomenbeleid
sinds 2004, de erfenis van een vorig college, biedt geen
behoorlijke grondslag voor een beter bomenbeleid. Het huidig
bomenbeleid met alle knelpunten vandien is er juist een
gevolg van, en daarvoor zitten er te veel opportunistische
en cynische elementen in, die niet de kwaliteit van de stad
en zijn groene omgeving, maar het faciliteren van
bouwprojecten op het oog hadden. De bestaande
bomenverordening moet op de kortste termijn worden vervangen
door de oude; die kan op zijn beurt als basis dienen voor
een nieuwe verordening waarbij de kwaliteit van de
stedelijke omgeving weer op het voorplan komt. Om te
besluiten noemen we enige kardinale punten die in een
nieuwe, spoedig vast te stellen bomenverordening een plaats
moeten krijgen: Met vriendelijike
groet, mede namens de stichting
Commissie Natuur en Milieu, Amerikaanse publicist
Richard Louv over het binnenzittende kind en zijn
kwalen De natuur maakt kinderen
geconcentreerder en tevredener. Depressies en ADHD zijn
volgens Richard Louv de gevolgen van 'het
natuurtekortsyndroom'. "Het is zaak niet op natuurtijd te
beknibbelen." Gedurende twintig jaar
fotografeerde de Japanse fotograaf Keiki Haginoya op straat
spelende kinderen. Een paar jaar geleden stopte hij ermee.
Hij zag simpelweg geen kinderen meer buiten spelen. Het is
een van de honderden voorbeelden die de Amerikaanse
journalist Richard Louv geeft in zijn nieuwste boek Last
Child in theWoods, over kinderen die voor de tv of achter de
pc zitten uit te dijen en nooit in bomen klimmen of hutten
bouwen,"Voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid
komen kinderen niet meer in de natuur", zegt Louv in een
tent in het Haagse Bos bij de presentatie van de Nederlandse
vertaling aan minister Verburg van Landbouw Natuur en
Voedselkwaliteit. "En dat leidt tot een enorme toename van
kinderdepressies en stoornissen als ADHD. Ik kan geen
medische diagnose stellen, maar ben overtuigd van het
verband tussen gebrek aan natuurervaringen en zulke kwalen.
Daarom noem ik de oorzaak het natuurtekortsyndroom.
Medicijnen als Ritalin zijn niet aan te slepen, terwijl
niemand denkt aan het effectiefste, veiligste en goedkoopste
medicijn: een bos, een sloot of een park. In de jaren '80 schreef ik
een boek over de toekomst van de kindertijd. Ik merkte dat
kinderen minder buiten kwamen en dat veel ouders dat jammer
vonden. Ongemerkt moet het veel mensen zorgen hebben
gebaard. Mijn boek raakt een gevoelige snaar. Ik wist niet
wat me overkwam. Ik had al zes boeken geschreven en raakte
gewend aan lage verkoopcijfers en stapels op de plank. Dit
werd een bestseller en de Nederlandse uitgave is de vijfde
vertaling. U heeft drieduizend
kinderen, ouders, pedagogen en andere experts geinterviewd.
Daaruit haalt u aan wat uw verhaal bevestigt. Zouden er niet
even veel stadsmensen te vinden zijn die nooit in de nataur
komen en daar heel gelukkig bij zijn? Dat kinderen te dik worden,
binnen blijven en minder bewegen, is makkelijk aan te tonen.
De fietsverkoop is in de VS in vijf jaar bijvoorbeeld met
eenderde gedaald. De invloed van natuur op ADHD en
depressiviteit wordt de laatste tijd regelmatig aangetoond,
maar toen ik het boek schreef nog niet. Er waren twee jaar
geleden nog maar zes studies gedaan naar het verband tussen
natuurgebrek en ADHD, terwijl er ruim duizend onderzoeken
waren gedaan naar het verband tussen drugsgebruik en ADHD.
Natuurlijk zijn er stadsjongeren die geen last hebben van
een nataurtekortsyndroom, maar ik hoorde ook veel andere
verhalen. Ik sprak ook een jongen die nergens last van had
en zei dat hij liever binnen speelde omdat daar de
stopcontacten zaten. Nee, zo simpel ligt het
niet. Die elektronische verleiders spelen mee, maar zeker zo
belangrijk is het verdwijnen van groen uit de wijk, de angst
voor de natuur en de dreiging van schadeclaims. In Los
Angeles woont slechts dertig procent van de mensen op
loopafstand van een park. In Amerika worden nauwelijks nog
trottoirs aangelegd en zelfs bestaande trottoirs afgebroken.
In buitenwijken worden de huizen groter, maar de tuinen
hebben het formaat van een grafzerk. En als er al bomen of
plantsoentjes zijn, is er wel een buurtverordening dat
kinderen er niet in mogen klimmen of spelen. Heeft je kind een vriendje
over de vloer, dan verbied je hen buiten te spelen, want
stel dat het vriendje zich bezeert, dan loop je een groot
risico op een forse schadeclaim. Ik heb een basisschool
bezocht waar op het speelplein een bordje 'verboden te
hollen' stond. Maar de kinderen kregen wel een folder mee
naar huis over de gevaren van overgewicht. Die schadeclaimcultnur is
lastig, maar er zijn al voorbeelden van collectieve
verzekeringen tegen speelongelukjes. Mensen hebben tegenwoordig
het idee dat kinderen om de hoek vermoord, verkracht of
ontvoerd worden. Dat er duizenden kinderen vermoord worden.
Dat is onzin. Het zijn in de VS tweehonderd misdrijven per
jaar. Ernstig genoeg, maar het aantal misdaden tegen
kinderen neemt al twintig jaar af, Alleen: er hoeft maar
iets te gebeuren of het wordt in alle media eindeloos
uitgesponnen. Het verkeer is wel een reëel gevaar, maar
kinderlokkers zijn er veel minder dan mensen denken. De
angst zit er nochtans goed in. Ik had er zelf ook last van,
tegen beter weten in, en moest mezelf dwingen mijn twee
inmiddels volwassen zoons alleen de kloof achter ons huis in
te laten struinen. Ik gaf ze een mobiele telefoon mee. Dat
kan voor bezorgde ouders een oplossing zijn. Deden ze dat maar! Onder de
regering Bush zijn de laatste mogelijkheden tot
natuurexcursies en schooltuintjes wegbezuinigd, laat staan
dat scholen nog op kamp gaan. Zelfs padvinders houden
tegenwoordig vooral computer- of loopbaankampen. Op school
gaat het alleen nog om het meten van taal- en
rekenvaardigheid. Het grappige is dat uit diverse recente
studies blijkt dat die schoolprestaties fors toenemen als
schoolkinderen af en toe in de natuur kunnen ravotten.
Natuur maakt kinderen evenwichtiger en stimuleert hun
concentratievermogen. Ja, vooral met
binnenactiviteiten. Kijk, onze samenlevingen zijn heel lang
agrarisch geweest. En op kinderen in mijnen en fabrieken na
was het ook in de industriële tijd vanzelfsprekend dat
kinderen buiten ravotten. De in Amerika bekende
gezinstherapeut Michael Gurian denkt dat onze hersenen nu
zo'n plotselinge overdaad aan stimuli krijgen, dat
aanpassing bij twintig tot dertig procent van de kinderen
niet lukt. Georganiseerd sporten is daar niet tegen
opgewassen. Maar artsen en ouders melden goede resultaten
van uitstapjes naar de natuur. Alleen al het uitzicht op
groen werkt kalmerend. In de jaren negentig
interviewden de psychologen Stephen en Rachel Kaplan ruim
twaalfhonderd kantoormedewerkers. Mensen die op hun werk
uitzicht hadden op bomen, struiken of grote grasvelden,
waren enthousiaster over hun werk dan mensen zonder zo'n
uitzicht. In een onderzoek onder
gezinnen met ADHD-kinderen tussen zeven en twaalf jaar werd
ouders gevraagd welke vrijetijdsactiviteiten een positieve
of juist negatieve uitwerking hadden op het gedrag van hun
kinderen. Buitenactiviteiten hebben een positieve invloed,
vooral op plekken waar bomen en gras groeien. Ook het Landscape and Human
Health Laboratory heeft onderzoek gedaan naar de invloed van
de natuur op ADHD. Ouders uit sociale woningbonw en uit
middenklassewijken vertelden dat hun kinderen minder
symptomen van ADHD vertoonden nadat ze in een groene
omgeving waren geweest. Zeker, en het is ook prima
dat kinderen zich zorgen maken over het Amazonewoud, maar
niet als natuur een abstractie is, waarover alleen maar valt
te tobben. Kinderen moeten natuur juist beleven als iets
leuks. Ga met een groep kinderen de natuur in, en nadat ze
zich mopperend hebben losgescheurd van hun Nintendo zullen
ze genieten. Je ziet ze vaak plekjes zoeken onder een
struik, tegen een stam of in een boom. Hutten bouwen vinden
alle kinderen leuk, met zand en water spelen ook. Ik pleit beslist niet voor
natuur als attractiepark. Ik vind ook niet dat de bestaande
natuur minder goed beschermd moet worden. Er moet ten eerste
meer groen gepland worden in nieuwe of gerenoveerde wijken.
Maar dat boswachters in hun terrein kinderen verbieden
hutten te bouwen, deugt ook niet. Ik heb veel
natuurbeschermers gesproken, en als je ze vraagt hoe hun
bekommernis om de natuur is begonnen, vertellen ze allemaal
dat ze als kind met vriendjes hutten bouwden, in bomen
klommen, visten, door het bos struinden, kortom: speelden in
de natuur. Als kinderen niet meer in de natuur spelen, weet
over een tijdje niemand meer iets van de natuur af, laat
staan dat iemand die natuur nog wil
beschermen. Inzet 1 Minister Gerda Verburg van Landbonw,
Natuurbeheer en Voedselkwaliteit wil niet dat
kinderen de natuur alleen nog maar kennen van de
televisie. Zij probeert naar eigen zeggen het
natuurtekortsyndroom zo veel mogelijk te
bestrijden. "lk investeer in scharrelkinderen om
hangjongeren te voorkomen", aldus de minister.
,,Door speelbosscn, door natuureducatie, door
smaaklessen, door het programma Groen in en om de
stad, door het creëren van minstens
tienduizend stageplaatsen in de natuur en bij
boeren, noem maar op. Maar ik kan het niet alleen.
We zullen samen moeten werken aan de oplossing van
dit probleem. En dan kijk ik eerst en vooral naar
de ouders, want juist zij spelen een cruciale rol
in de opvoeding en bewustwording van hun
kinderen." Meer groen in de stad! Ik
zag in Nederland voorbeelden van natuurlijker ingerichte en
gebouwde wijken. Nederland staat bekend om zijn fietsen en
terecht: iedereen fietst. En niemand draagt er een helm bij.
Dat is in Amerika ondenkbaar. Meer groen dus; een woeste
tuin op of rond het speelplein zou al heel wat zijn en is
goedkoper dan bijvoorbeeld alle computers vervangen door een
snellere generatie die meteen weer veroudert. Verder moeten
ouders voorlichting krijgen over de werkelijke risico's van
spelen in park of bos. Dat park moet niet uit een geschoren
biljartlaken bestaan, maar moet bomen, struiken, zand en
liefst stromend water hebben. Dat kan trouwens ook een fijne
plek zijn voor ouders. Die moeten af van het idee dat de
natuur ingaan alleen maar tijd kost. Ja, net als slapen en eten.
Het is zaak niet op natuurtijd te beknibbelen, want dat is
net zo belangrijk als slaap en lichaamsbeweging. De natuur
maakt je rustiger, tevredener en fitter. En het zal even
wennen zijn, maar je zult merken dat het er prettig is. Ga
met je kinderen eens wandelen, picknicken of vissen. Je zult
zien dat je kind zich vroeg of laat verwondert over een
boom, een insect, een waterkolk. Waarschijnlijk krijg je ook
zelf dat gevoel van verwondering. Ik denk dat dat essentieel
is. Vrijwel iedereen die zijn vroegste jeugdherinneringen
oproept, zal beamen dat dat vooral belevenissen in de natuur
zijn, bijvoorbeeld tijdens noodweer, aan het strand, op zee,
in de bergen of een ontmoeting met een hert. Zelfs als je
kind met tegenzin meegaat naar het bos, en zeurt over
brandnetels of vliegen, zul je zien dat hij of zij er later
over opschept tegen vrienden of ineens zegt: weet je nog
papa? Er gebeurt al van alles.
Mijn boek heeft veel losgemaakt, ook bij politici. Tien
gouverneurs zijn in hun staat een 'laat geen kind
binnen'-campagne begonnen. De nieuwe staatssecretaris van
milieu (Stephen Johnson, KD) schijnt onder de indrak te zijn
van mijn boek. Er kwam zelfs een projectontwikkelaar op me
af die besloten had in zijn bouwputten rekening te houden
met openbaar groen. Nu is dat ook in zijn eigen belang:
bouwers merken dat de babyboomers geen golfterreinen meer
willen, maar lange-afstandswandelpaden. Toch denk ik: als ik
een projectontwikkelaar weet te overtuigen, krijg ik
iedereen mee. Bij lezingen voor scholieren
merk ik dat ze het geweldig vinden als ik ze vertel wat er
volgens mij allemaal anders zou moeten en kunnen. Ze worden
daar opgetogen van. Jonge mensen willen het altijd wel
anders aanpakken. En het is ook mooi dat dit
weliswaar ernstige probleem tenminste opgelost kan worden.
Klimaatverandering, ontbossing - daar kun je moedeloos van
worden. Ook dit is niet in je eentje aan te pakken, maar met
een groene ruimtelijke ordening en stedebouw, met een
groener onderwijs en met voorlichtingscampagnes kan het. En
de wil lijkt te groeien. Dat natuur goed is voor de
gezondheid, is daarvoor een enorme stimulans! Richard
Louv: Last Child in the Woods. (Uitg. Algonquin Books of
Chapel Hill) Nederlandse vertaling: Het lantste kind in het
bos. (Uitg. Jan van Arkel, 384 blz, 19,95 Euro). Inzet 2 Het netwerk van van Richard Louv Richard Louv (58) woont in San Diego,
Californie. Hij is columnist van de San Diego Union
Tribune en werkte als journalist voor allerlei
kranten, waaronder The New York Times en The
Washington'Post, en het tijdschrift Parents. Hij schreef zeven boeken, waarvan vier over
kinderen. Hij is voorzitter van het Children Nature
Network, dat kinderen in contact brengt met de
natuur. In reactie op zijn boek heeft een grote
natuurbeschermingsorganisatie deze zomer het
National Forum on Children and Nature opgericht.
Daarin zitten vijftig invloedrijke lieden, zoals
topmensen van bedrijven als North Face en Walt
Disney, de president van de Turner Foundation,
gouverneurs van vier staten en de burgemeesters van
Los Angeles, Houston en Chicago. Zij roepen op tot
initiatieven en zullen wereldwijd twintig
voorbeeldprojecten selecteren en steunen.
Commentaar
op de Evaluatie
Bomenbeleid Gemeente Delft
Bomenbeleid in te beperkte
context
Bomenbeleid en
bomenverordening 2004: bomenbestand "op peil
houden"?
Kappen en
bouwvergunning
Dichtbebouwde
stad
Herstel
Bijlage
Hutten bouwen is het beste
medicijn
door Koos Dijksterhuis
Hoe lang speelt dit
probleem al?
Zijn televisies en
computers de boosdoeners?
En die andere
oorzaken?
Kunnen scholen geen
natuureducatie geven?
Hebben kinderen het niet
simpelweg te druk?
Is daar enig bewijs
van?
Kinderen komen minder in de
natuur, maar zijn milieubewuster dan ooit.
De natuurgebieden in
Nederland worden op zondag nu al overspoeld door
recreanten.
Investeren in scharrelkinderen
Wat kunnen we eraan doen?
Dat kost toch ook
tijd?
Zijn kinderen weer naar
buiten te lokken?
Ook de jeugd?