Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

beginpagina | archief nieuwsbrieven | plannen en commentaar op plannen | TU Noord

openbrief aan het hoofd RO | klacht bij inspectie VROM

Delft, 4 september 2007

Aan de leden van de Delftse gemeenteraad

Commentaar op de Evaluatie Bomenbeleid Gemeente Delft

met bijlage

In de 2e versie van de Evaluatie Bomenbeleid die wij onder ogen kregen, zijn zeker opmerkelijke passages te vinden. Op enkele plaatsen kan men zelfs worden verrast, nl. waar het boetekleed wordt aangetrokken en dat er knelpunten zijn. Maar dat maakt nog niet dat in het stuk met de titel "Bomenbeleid in perspectief" een wenkend perspectief kan worden ontwaard.

We proberen dit gebrek aan perspectief en de overmaat aan tekortkomingen nader te onderzoeken aan de hand van enkele passages in de 10 pagina's tekst.

Bomenbeleid in te beperkte context

In de Inleiding wordt terecht opgemerkt dat bomen in een stad belangrijk zijn. Aan een analyse van wat dan zo belangrijk is aan die stedelijke boom komt het stuk echter niet toe. Men - de kerngroep evaluatie bomenbeleid - komt niet verder dan "ze geven sfeer en karakter aan hun omgeving, versterken de natuur en dragen bij aan een schoon en prettig woon- en leefmilieu." Werkelijk niets meer dan dat. De ambtenaren van het bomenloket hadden even in het zo genegeerde ecologieplan kunnen kijken (p.13): "Beplanting biedt niet alleen een groene omgeving en ruimte voor biodiversiteit maar reguleert ook allerlei natuurlijke processen voor opname en afbraak van stoffen. Het heeft onder meer een gunstige werking op het klimaat, de luchtkwaliteit, de waterhuishouding, de windkanalen en geluidsoverlast in de stad." Door op een oppervlakkige manier de bomen in de stad onder loep te nemen, komt van een veelzijdige - d.w.z. ecologische, milieuhygiënische, cultuurhistorische, stedenbouwkundige - benadering natuurlijk niets terecht en blijft ook de zelfkritiek van de gemeente op de kwalijke praktijk van de afgelopen jaren (zie volgende §) in vrijblivendheid steken. We durven zelfs de stelling aan dat dit tekort aan perspectief het groen- en milieubeleid van de gemeente grote schade toebrengt, omdat de kwestie van de bomen in een eng omschreven domein wordt gezien waardoor een brede visie op groenbeleid en -beheer en de creatieve oplossingen die voor problemen met bomen zouden kunnen worden gevonden, buiten beeld blijven.

De enghartige benadering blijkt al meteen in een volgende regel, waarin wordt opgemerkt dat de groeiomstandigheden in de stad verre van ideaal zijn en dat het daarom (wat een vreemde logica!)) essentieel zou zijn om bomen gezond te houden. Wij willen vanzelfsprekend niet pleiten voor ongezonde standplaatsen van bomen, maar wijzen er wel op dat bomen in de vrije natuur onderhevig zijn aan concurrentie van andere al dan niet houtachtige planten, van predatoren en ziektekiemen, van de dynamiek van bodem, water en lucht, e.a. De eenzijdige, typisch cultuurtechnische benadering van de stedelijke bomen is buitengewoon steriel en leidt maar tot onderwaardering van het ecosysteem dat een boom of bomenrij vertegenwoordigt en de grotere systemen waarvan de bomen weer deel uitmaken. Het leidt bovendien ook tot een onderschatting van de betekenis van bomen die een beetje scheef staan, of waar een holte in zit, of die tot een zg. niet-duurzame soort zouden behoren, etc., en het doet de geloofwaardigheid van de gemeentelijke inrichters geen goed omdat die immers voortdurend aandringen om eensoortige bomenbestanden waar plaagdieren en ziektekiemen van kunnen smullen en die eigenlijk alleen maar bijdragen aan hun eigen eeuwigdurende werkgelegenheid.

Dat de evaluatie er zelfs niet in slaagt om op het idee te komen een onderscheid te maken tussen laanbomen en bomen die een rol spelen in een grotere en gevarieerde groeneenheid - een bosplantsoen, een park, een trapveldje - geeft ook al zeer te denken. Zo komt het hele begrip "bosplantsoen" niet in het stuk voor en worden deze rijke levensgemeenschappen van mossen, kruiden, struweel, bomen en van de daarbij behorende fauna totaal over het hoofd gezien. Nu is dat laatste na 15 jaren systematisch wanbeheer van deze sierraden van stadsnatuur op zichzelf bedroevend gemakkelijk geworden in deze stad, maar desalniettemin is het beschamend dat het in de evaluatie niet voorkomt. Bomen zijn voor de evalueerders kennelijk een soort lantaarnpalen.

Problemen met bomen die zich altijd wel bij stadsontwikkelingsvraagstukken zullen voordoen, maar die juist kansen bieden aan andere typen stadsnatuur, komen in zo'n in zichzelf opgesloten bomenbeleid al helemaal niet hun recht. Zo kan het - het meest voor de hand liggende voorbeeld - voor de natuur van water en oevers dienstig zijn een boom of bomenrij wordt opgeofferd of verplaats om de overmatige bladval in het oppervlaktewater te verhinderen. Het scheppen van een rijk water- en oeversysteem is soms een dergelijk offer waard, maar met suffe, bureaucratisch geïnpireerde visies gaat dat niet lukken.

Ook het frequente schoffelen van boomspiegels (bij uitstek als er wilde planten groeien), het snoeien van waardevolle stambegroeiingen (we denken m.n. aan de fraaie "stoelen" van lindes) en het eeuwige gesmeek om het aandragen van enge plekken heeft de notitie niet gehaald. De relatie met het bomenbeleid is de kerngroep geheel ontgaan …

Bomenbeleid en bomenverordening 2004: bomenbestand "op peil houden"?

Waarom werd er een jaar of 4 geleden door het gemeentebestuur toch zoveel belang gehecht aan de vermindering van de regels voor bomenkap? Het ging immers maar, zoals in de Bomennota 2004 ook staat, om gemiddeld een 160 bomen per jaar, en waarom zou je voor dat beetje administratie de regels omtrent dikte van bomen, afstand tot gevels, de boomsoorten etc. überhaupt willen veranderen?

De aap kwam in 2005 uit de mouw. In de 2e helft van dat jaar kwam een lawine aan kapvergunningaanvragen op gang, dikwijls met de meest bizarre motiveringen (boom heeft minder dan 10 jaar te leven, boom is te groot). De toenmalige bouwwethouder werd er over in het duurzaamheidsplatform aan de tand gevoeld, en zuchtend en steunend bekende hij dat de ambtenaren de motiveringen weer eens verkeerd hadden opgeschreven. De aanwezigen kregen vervolgens een tekst opgestuurd met de "verbeterde" motiveringen, maar er deugde nog altijd niets van, wat ons betreft.

Het "bomenbestand op peil houden", zoals in het gewillige papier vertelt, is daarna allerminst gelukt. De evaluatienota bevestigt de indruk die elke Delftse burger er wel van zal hebben gekregen, nl. dat "de afgelopen drie jaar zijn per jaar 1100 bomen gekapt en zijn gemiddeld 660 bomen per jaar "uit het stadsbeeld verdwenen"". (Het zou interessant zijn eens uit te rekenen wat het nadelige effect op de lokale luchtkwaliteit zal zijn geweest!) Dat saldo staat in schril contrast met de relativering dat het allemaal maar om 160 bomen per jaar zou gaan (zie boven) en dat het bomenbestand op peil zou worden gehouden. Een recent geval - bomenkap Julianalaan 132-134 - laat zelfs zien dat de gemeente zonder kennis van het bouwplan toch een kapvergunning heeft verleend (http://ind.datadelft.com/wvpt.htm), aldus de beleidslijn in de Bomennota 2004 bewust verkrachtend. "Bij nieuwbouw of herstructurering van bestaande bouwpercelen of van de openbare ruimte blijkt niet altijd voldoende aandacht te zijn voor de bestaande bomen (en groenstroken), waardoor bomen kunnen verdwijnen. In elke fase van het planproces moet daarom aandacht zijn voor het belang van bomen. Bij de afgifte van bouwvergunningen wordt nog niet altijd voldoende getoetst of afspraken over het behoud van bestaande bomen zijn nagekomen (bijvoorbeeld de randvoorwaarden in het bestemmingsplan) of dat bestaande bomen mogelijk behouden hadden kunnen worden door het plan enigszins te wijzigen."

Maar nog veel schrijnender is dat het gemeentebestuur het doet voorkomen alsof het hier om een natuurverschijnsel gaat waarop zij geen invloed heeft kunnen hebben. Wij weten maar al te goed dat het doorzetten van omstreden bouwprojecten de gemeente heeft verleid tot laakbare manoeuvres om bouw door te zetten, soms zelfs met misbruik naar het Ecologieplan 2004-2015. (Naderhand bleek ook in een publicatie van GroenLinks, dat de bewuste wethouder dat Ecologieplan juist ook met misbruik als doel had laten opstellen - misbruik met voorbedachte rade.) De overmatige kap van bomen en van andere belangrijke stedelijke groenelementen in de afgelopen drie jaar is wel degelijk door de gemeente bewust op touw gezet, ten koste van gemeentelijk groen, stadsnatuur en de bewoners die daarvan genieten. Van een gebrekkige communicatie tussen diensten bleek bij dat alles weinig, eerder was sprake van boos opzet, en goed geregisseerd ook nog. En evenmin kunnen wij ons herinneren dat de politieke partijen in hun verkiezingsprogramma's en het college met zijn coalitieaccoord iets hebben geponeerd dat aan deze destructie van de leefbare stad een legitieme basis verschafte.

Kappen en bouwvergunning

Citaat: "Van de grote projecten worden vaak lang vooraf kapvergunningen aangevraagd, waarbij de kap of verplaatsing pas plaatsvindt bij daadwerkelijke uitvoering van het project". Uit deze passage op p. 2 zou men kunnen afleiden dat de gemeente tegenstander is van kap van bomen zonder verleende bouwvergunning. Ook dat is in tegenspraak met het daadwerkelijk gemeentelijk handelen. Het primaat van bouwen (wat is nou een wethouder van een gemeente met minder dan 100.000 inwoners nietwaar?) is zo sterk geweest de afgelopen jaren dat de gemeente in enkele gevallen het risico heeft willen nemen om te kapppen - en nog wel zonder herplant - waar er zelfs nog geen zicht was op een bouwvergunning. De angst voor vertraging van de bouw zat er diep in - hoe onwetiig deze schendingen van het rechtsgevoel ook zijn. Zou dit de opstellers echt niet bekend zijn?

Dichtbebouwde stad

In najaar 2005, in een commentaar op het voorontwerp bestemmingsplan TU-noord, hebben wij het gemeentebestuur al omstandig laten zien dat het concept van de "compacte stad" bij het toenmalige gemeentebestuur niet in verkeerde handen was. Het concept - afkomstig uit het ecologische repertoire, uitgaand van grote natuurlijke en halfnatuurlijke landschappen in de directe en wijdere omgeving en werkelijk gekaapt door cynische lieden uit de Delftse bestuurderskaste - werd immers grotelijks misbruikt om natuur en leefmilieu in een enigszins groene wijk als TU-noord - met overigens al bedenkelijke luchtkwaliteit - van zijn aantrekkelijkheid te beroven. In het toenmalige college waren bouwprojecten heilig, bewoners en stadsnatuur een stuk minder. Men ging bovendien voorbij aan de vaststelling uit de Ontwikkelingsvisie 2025 dat Delft al lang een compacte stad is, reden te meer om af te zien van verdichtingen en functieveranderingen als die tot hogere milieu- en ruimtedruk leiden.

Zou het huidige college dit wanbeleid willen ombuigen? We citeren: "Alleen (nieuwe) wijken met veel ruimte bieden daarvoor (voor het vergroten van het bomenbestand, red. p. 3) kansen. Het beleid moet er daarom vooral op gericht zijn 'te behouden en verbeteren wat we hebben'." Goedwillende tekst. Laat maar zien, voegen we het gemeentebestuur toe, en draai bestemmings- en ontwikkelingsplannen die het niet-behouden en het niet-verbeteren zo nadrukkelijk inhouden, onmiddellijk terug.

Onze complimenten overigens voor de humor die spreekt uit de vermelding van de "landelijke expert" die bereid was tegen een goed honorarium te verklaren dat "het beleid in Delft in vergelijking tot andere Nederlandse gemeenten zeer vooruitstrevend is". Wij kunnen u uit de eerste hand verzekeren dat de gemeente Delft een modderfiguur slaat, en de hier actieve projectontwikkelaars (die hebben een goede neus voor volgzame regenten) al evenzeer. [Zie voor aanvullend commentaar op de van groen beroofde stad de bijlage, een groot interview met Richard Louv in NRC-Handelsblad van 8 september 2007.]

Herstel

Het gemeentelijk bomenbeleid sinds 2004, de erfenis van een vorig college, biedt geen behoorlijke grondslag voor een beter bomenbeleid. Het huidig bomenbeleid met alle knelpunten vandien is er juist een gevolg van, en daarvoor zitten er te veel opportunistische en cynische elementen in, die niet de kwaliteit van de stad en zijn groene omgeving, maar het faciliteren van bouwprojecten op het oog hadden. De bestaande bomenverordening moet op de kortste termijn worden vervangen door de oude; die kan op zijn beurt als basis dienen voor een nieuwe verordening waarbij de kwaliteit van de stedelijke omgeving weer op het voorplan komt. Om te besluiten noemen we enige kardinale punten die in een nieuwe, spoedig vast te stellen bomenverordening een plaats moeten krijgen:

  1. de discretionaire bevoegdheid van het college van B&W dient te vervallen. De bestuurders die aan dit staaltje van Delfts regentendom hechten, willen we adviseren een tijdmachine aan te schaffen en - na zorgvuldige lezing van de gebruiksaanwijzing - te solliciteren naar de functie van schout of schepen.
  2. de vergunningplicht van bomenkap dient zich uit te strekken tot elke boom, ook als die minder dan 5 meter van een gevel staat.
  3. de vergunningplicht behelst nadrukkelijk ook bomen van zachthoutsoorten als wilg, populier en els. Bomen uit deze families zijn onmisbaar in het stedelijk ecosysteem van steden in het Hollands laagveengebied.
  4. de vergunningplicht van bomenkap dient zich uit te strekken tot elke boom, ook als die een diameter van minder dan 25 cm op 1 meter hoogte heeft. Bijzondere aandacht verdient hierbij de aanplant en het beheer van struwelen, die cruciaal zijn voor het stedelijk milieu en de stedelijke soortenrijkdom. In het huidige regime zijn deze waardevolle groenelementen onbeschermd en mede daardoor ondervertegenwoordigd, hetgeen o.i. strijdig is met het Ecologieplan 2004-2015. Gebrek aan kennis van ontwerpers en beheerders speelt hier helaas een grote rol.
  5. bij de vergunningplichtigheid bomenkap dient de gemeente zich te realiseren dat de "bijzonderheid" van een boom, bomenbestand of bosplantsoen geen rol moet spelen. Bijzondere natuur doet zich in Delft niet of nauwelijks meer voor, maar het moet gezegd: als de lijn van de afgelopen vier jaar wordt doorgetrokken wordt elke splinter natuur in Delft navenant meer bijzonder of zeldzaam.
  6. Herplantplicht is bij de onvermijdelijkheid van bomenkap een nuttig middel, maar dient er niet voor om kap van bomen te faciliteren. In sommige gevallen kan compensatie met een ander, natuurrijk groenelement uitkomst bieden.

 

Met vriendelijike groet,

mede namens de stichting Commissie Natuur en Milieu,

Jacques Schievink

Bijlage

Amerikaanse publicist Richard Louv over het binnenzittende kind en zijn kwalen

Hutten bouwen is het beste medicijn

De natuur maakt kinderen geconcentreerder en tevredener. Depressies en ADHD zijn volgens Richard Louv de gevolgen van 'het natuurtekortsyndroom'. "Het is zaak niet op natuurtijd te beknibbelen."

 

door Koos Dijksterhuis

Gedurende twintig jaar fotografeerde de Japanse fotograaf Keiki Haginoya op straat spelende kinderen. Een paar jaar geleden stopte hij ermee. Hij zag simpelweg geen kinderen meer buiten spelen. Het is een van de honderden voorbeelden die de Amerikaanse journalist Richard Louv geeft in zijn nieuwste boek Last Child in theWoods, over kinderen die voor de tv of achter de pc zitten uit te dijen en nooit in bomen klimmen of hutten bouwen,"Voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid komen kinderen niet meer in de natuur", zegt Louv in een tent in het Haagse Bos bij de presentatie van de Nederlandse vertaling aan minister Verburg van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit. "En dat leidt tot een enorme toename van kinderdepressies en stoornissen als ADHD. Ik kan geen medische diagnose stellen, maar ben overtuigd van het verband tussen gebrek aan natuurervaringen en zulke kwalen. Daarom noem ik de oorzaak het natuurtekortsyndroom. Medicijnen als Ritalin zijn niet aan te slepen, terwijl niemand denkt aan het effectiefste, veiligste en goedkoopste medicijn: een bos, een sloot of een park.

Hoe lang speelt dit probleem al?

In de jaren '80 schreef ik een boek over de toekomst van de kindertijd. Ik merkte dat kinderen minder buiten kwamen en dat veel ouders dat jammer vonden. Ongemerkt moet het veel mensen zorgen hebben gebaard. Mijn boek raakt een gevoelige snaar. Ik wist niet wat me overkwam. Ik had al zes boeken geschreven en raakte gewend aan lage verkoopcijfers en stapels op de plank. Dit werd een bestseller en de Nederlandse uitgave is de vijfde vertaling.

U heeft drieduizend kinderen, ouders, pedagogen en andere experts geinterviewd. Daaruit haalt u aan wat uw verhaal bevestigt. Zouden er niet even veel stadsmensen te vinden zijn die nooit in de nataur komen en daar heel gelukkig bij zijn?

Dat kinderen te dik worden, binnen blijven en minder bewegen, is makkelijk aan te tonen. De fietsverkoop is in de VS in vijf jaar bijvoorbeeld met eenderde gedaald. De invloed van natuur op ADHD en depressiviteit wordt de laatste tijd regelmatig aangetoond, maar toen ik het boek schreef nog niet. Er waren twee jaar geleden nog maar zes studies gedaan naar het verband tussen natuurgebrek en ADHD, terwijl er ruim duizend onderzoeken waren gedaan naar het verband tussen drugsgebruik en ADHD. Natuurlijk zijn er stadsjongeren die geen last hebben van een nataurtekortsyndroom, maar ik hoorde ook veel andere verhalen. Ik sprak ook een jongen die nergens last van had en zei dat hij liever binnen speelde omdat daar de stopcontacten zaten.

Zijn televisies en computers de boosdoeners?

Nee, zo simpel ligt het niet. Die elektronische verleiders spelen mee, maar zeker zo belangrijk is het verdwijnen van groen uit de wijk, de angst voor de natuur en de dreiging van schadeclaims. In Los Angeles woont slechts dertig procent van de mensen op loopafstand van een park. In Amerika worden nauwelijks nog trottoirs aangelegd en zelfs bestaande trottoirs afgebroken. In buitenwijken worden de huizen groter, maar de tuinen hebben het formaat van een grafzerk. En als er al bomen of plantsoentjes zijn, is er wel een buurtverordening dat kinderen er niet in mogen klimmen of spelen.

Heeft je kind een vriendje over de vloer, dan verbied je hen buiten te spelen, want stel dat het vriendje zich bezeert, dan loop je een groot risico op een forse schadeclaim. Ik heb een basisschool bezocht waar op het speelplein een bordje 'verboden te hollen' stond. Maar de kinderen kregen wel een folder mee naar huis over de gevaren van overgewicht.

Die schadeclaimcultnur is lastig, maar er zijn al voorbeelden van collectieve verzekeringen tegen speelongelukjes.

En die andere oorzaken?

Mensen hebben tegenwoordig het idee dat kinderen om de hoek vermoord, verkracht of ontvoerd worden. Dat er duizenden kinderen vermoord worden. Dat is onzin. Het zijn in de VS tweehonderd misdrijven per jaar. Ernstig genoeg, maar het aantal misdaden tegen kinderen neemt al twintig jaar af, Alleen: er hoeft maar iets te gebeuren of het wordt in alle media eindeloos uitgesponnen. Het verkeer is wel een reëel gevaar, maar kinderlokkers zijn er veel minder dan mensen denken. De angst zit er nochtans goed in. Ik had er zelf ook last van, tegen beter weten in, en moest mezelf dwingen mijn twee inmiddels volwassen zoons alleen de kloof achter ons huis in te laten struinen. Ik gaf ze een mobiele telefoon mee. Dat kan voor bezorgde ouders een oplossing zijn.

Kunnen scholen geen natuureducatie geven?

Deden ze dat maar! Onder de regering Bush zijn de laatste mogelijkheden tot natuurexcursies en schooltuintjes wegbezuinigd, laat staan dat scholen nog op kamp gaan. Zelfs padvinders houden tegenwoordig vooral computer- of loopbaankampen. Op school gaat het alleen nog om het meten van taal- en rekenvaardigheid. Het grappige is dat uit diverse recente studies blijkt dat die schoolprestaties fors toenemen als schoolkinderen af en toe in de natuur kunnen ravotten. Natuur maakt kinderen evenwichtiger en stimuleert hun concentratievermogen.

Hebben kinderen het niet simpelweg te druk?

Ja, vooral met binnenactiviteiten. Kijk, onze samenlevingen zijn heel lang agrarisch geweest. En op kinderen in mijnen en fabrieken na was het ook in de industriële tijd vanzelfsprekend dat kinderen buiten ravotten. De in Amerika bekende gezinstherapeut Michael Gurian denkt dat onze hersenen nu zo'n plotselinge overdaad aan stimuli krijgen, dat aanpassing bij twintig tot dertig procent van de kinderen niet lukt. Georganiseerd sporten is daar niet tegen opgewassen. Maar artsen en ouders melden goede resultaten van uitstapjes naar de natuur. Alleen al het uitzicht op groen werkt kalmerend.

Is daar enig bewijs van?

In de jaren negentig interviewden de psychologen Stephen en Rachel Kaplan ruim twaalfhonderd kantoormedewerkers. Mensen die op hun werk uitzicht hadden op bomen, struiken of grote grasvelden, waren enthousiaster over hun werk dan mensen zonder zo'n uitzicht.

In een onderzoek onder gezinnen met ADHD-kinderen tussen zeven en twaalf jaar werd ouders gevraagd welke vrijetijdsactiviteiten een positieve of juist negatieve uitwerking hadden op het gedrag van hun kinderen. Buitenactiviteiten hebben een positieve invloed, vooral op plekken waar bomen en gras groeien.

Ook het Landscape and Human Health Laboratory heeft onderzoek gedaan naar de invloed van de natuur op ADHD. Ouders uit sociale woningbonw en uit middenklassewijken vertelden dat hun kinderen minder symptomen van ADHD vertoonden nadat ze in een groene omgeving waren geweest.

Kinderen komen minder in de natuur, maar zijn milieubewuster dan ooit.

Zeker, en het is ook prima dat kinderen zich zorgen maken over het Amazonewoud, maar niet als natuur een abstractie is, waarover alleen maar valt te tobben. Kinderen moeten natuur juist beleven als iets leuks. Ga met een groep kinderen de natuur in, en nadat ze zich mopperend hebben losgescheurd van hun Nintendo zullen ze genieten. Je ziet ze vaak plekjes zoeken onder een struik, tegen een stam of in een boom. Hutten bouwen vinden alle kinderen leuk, met zand en water spelen ook.

De natuurgebieden in Nederland worden op zondag nu al overspoeld door recreanten.

Ik pleit beslist niet voor natuur als attractiepark. Ik vind ook niet dat de bestaande natuur minder goed beschermd moet worden. Er moet ten eerste meer groen gepland worden in nieuwe of gerenoveerde wijken. Maar dat boswachters in hun terrein kinderen verbieden hutten te bouwen, deugt ook niet. Ik heb veel natuurbeschermers gesproken, en als je ze vraagt hoe hun bekommernis om de natuur is begonnen, vertellen ze allemaal dat ze als kind met vriendjes hutten bouwden, in bomen klommen, visten, door het bos struinden, kortom: speelden in de natuur. Als kinderen niet meer in de natuur spelen, weet over een tijdje niemand meer iets van de natuur af, laat staan dat iemand die natuur nog wil beschermen.

Inzet 1

Investeren in scharrelkinderen

Minister Gerda Verburg van Landbonw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit wil niet dat kinderen de natuur alleen nog maar kennen van de televisie. Zij probeert naar eigen zeggen het natuurtekortsyndroom zo veel mogelijk te bestrijden. "lk investeer in scharrelkinderen om hangjongeren te voorkomen", aldus de minister. ,,Door speelbosscn, door natuureducatie, door smaaklessen, door het programma Groen in en om de stad, door het creëren van minstens tienduizend stageplaatsen in de natuur en bij boeren, noem maar op. Maar ik kan het niet alleen. We zullen samen moeten werken aan de oplossing van dit probleem. En dan kijk ik eerst en vooral naar de ouders, want juist zij spelen een cruciale rol in de opvoeding en bewustwording van hun kinderen."

Wat kunnen we eraan doen?

Meer groen in de stad! Ik zag in Nederland voorbeelden van natuurlijker ingerichte en gebouwde wijken. Nederland staat bekend om zijn fietsen en terecht: iedereen fietst. En niemand draagt er een helm bij. Dat is in Amerika ondenkbaar. Meer groen dus; een woeste tuin op of rond het speelplein zou al heel wat zijn en is goedkoper dan bijvoorbeeld alle computers vervangen door een snellere generatie die meteen weer veroudert. Verder moeten ouders voorlichting krijgen over de werkelijke risico's van spelen in park of bos. Dat park moet niet uit een geschoren biljartlaken bestaan, maar moet bomen, struiken, zand en liefst stromend water hebben. Dat kan trouwens ook een fijne plek zijn voor ouders. Die moeten af van het idee dat de natuur ingaan alleen maar tijd kost.

Dat kost toch ook tijd?

Ja, net als slapen en eten. Het is zaak niet op natuurtijd te beknibbelen, want dat is net zo belangrijk als slaap en lichaamsbeweging. De natuur maakt je rustiger, tevredener en fitter. En het zal even wennen zijn, maar je zult merken dat het er prettig is. Ga met je kinderen eens wandelen, picknicken of vissen. Je zult zien dat je kind zich vroeg of laat verwondert over een boom, een insect, een waterkolk. Waarschijnlijk krijg je ook zelf dat gevoel van verwondering. Ik denk dat dat essentieel is. Vrijwel iedereen die zijn vroegste jeugdherinneringen oproept, zal beamen dat dat vooral belevenissen in de natuur zijn, bijvoorbeeld tijdens noodweer, aan het strand, op zee, in de bergen of een ontmoeting met een hert. Zelfs als je kind met tegenzin meegaat naar het bos, en zeurt over brandnetels of vliegen, zul je zien dat hij of zij er later over opschept tegen vrienden of ineens zegt: weet je nog papa?

Zijn kinderen weer naar buiten te lokken?

Er gebeurt al van alles. Mijn boek heeft veel losgemaakt, ook bij politici. Tien gouverneurs zijn in hun staat een 'laat geen kind binnen'-campagne begonnen. De nieuwe staatssecretaris van milieu (Stephen Johnson, KD) schijnt onder de indrak te zijn van mijn boek. Er kwam zelfs een projectontwikkelaar op me af die besloten had in zijn bouwputten rekening te houden met openbaar groen. Nu is dat ook in zijn eigen belang: bouwers merken dat de babyboomers geen golfterreinen meer willen, maar lange-afstandswandelpaden. Toch denk ik: als ik een projectontwikkelaar weet te overtuigen, krijg ik iedereen mee.

Ook de jeugd?

Bij lezingen voor scholieren merk ik dat ze het geweldig vinden als ik ze vertel wat er volgens mij allemaal anders zou moeten en kunnen. Ze worden daar opgetogen van. Jonge mensen willen het altijd wel anders aanpakken.

En het is ook mooi dat dit weliswaar ernstige probleem tenminste opgelost kan worden. Klimaatverandering, ontbossing - daar kun je moedeloos van worden. Ook dit is niet in je eentje aan te pakken, maar met een groene ruimtelijke ordening en stedebouw, met een groener onderwijs en met voorlichtingscampagnes kan het. En de wil lijkt te groeien. Dat natuur goed is voor de gezondheid, is daarvoor een enorme stimulans!

 

Richard Louv: Last Child in the Woods. (Uitg. Algonquin Books of Chapel Hill) Nederlandse vertaling: Het lantste kind in het bos. (Uitg. Jan van Arkel, 384 blz, 19,95 Euro).

Inzet 2

Het netwerk van van Richard Louv

Richard Louv (58) woont in San Diego, Californie. Hij is columnist van de San Diego Union Tribune en werkte als journalist voor allerlei kranten, waaronder The New York Times en The Washington'Post, en het tijdschrift Parents.

Hij schreef zeven boeken, waarvan vier over kinderen. Hij is voorzitter van het Children Nature Network, dat kinderen in contact brengt met de natuur.

In reactie op zijn boek heeft een grote natuurbeschermingsorganisatie deze zomer het National Forum on Children and Nature opgericht. Daarin zitten vijftig invloedrijke lieden, zoals topmensen van bedrijven als North Face en Walt Disney, de president van de Turner Foundation, gouverneurs van vier staten en de burgemeesters van Los Angeles, Houston en Chicago. Zij roepen op tot initiatieven en zullen wereldwijd twintig voorbeeldprojecten selecteren en steunen.