link naar commentaren van 12 maart 1998 en van 30 april 2000


Commentaar op Ontwerpbeleidsplan Groen, Milieu en Water - 2006

Delft, 11 april 2006

Geacht college,

Van het Ontwerpbeleidsplan Groen, Water en Milieu hebben wij met genoegen kennis genomen. Het is een zeer informatief en toegankelijk stuk, dat evenwel ook ernstige tekortkomingen kent.

1.

Het hoofdpunt van onze kritiek is dat het ontwerp toch nog te zeer een sectorale nota is. In § 2 van het Visiedeel (pp. 24-26) wordt weliswaar kort en puntsgewijs ingegaan op het spanningsveld (tegenkrachten) waarin omvang en kwaliteit van groen, water en milieu in onze provincie zich ontwikkelen en onder toenemende druk staan, maar het werkt toch onvoldoende in de behandeling van de thema's door. Wat men immers als provinciaal bestuur ook binnen deze beleidsvelden onderneemt ter bescherming van deze "zachte" waarden, de grote keuzen die omvang en kwaliteit van groen water en milieu bepalen liggen immers in andere beleidsvelden (die overigens voor een deel buiten de invloedssfeer van provinciaal beleid vallen): wonen, werken, verkeer, economie. Dat maakt ook deze nota weer te vrijblijvend.

Het provinciaal bestuur had deze exercitie &endash; het voluit neerzetten van de alternatieven - kunnen doen door het advies van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) een veel nadrukkelijker plaats in de tekst te geven. Dit advies komt erop neer dat het doorgaan op de weg van het slaafs accomoderen van de vraag naar bedrijventerreinen, wonen, werken en mobiliteit tot resultaat zal hebben dat u (en de Zuid-Hollandse burgers) het met de doelstellingen voor groen, water en milieu wel kunt schudden.

We willen deze conclusie met de volgende overwegingen reliëf geven.

Verschillende recente bijdragen aan de discussie over de relatie tussen ruimtelijke ordening en economische ontwikkeling zetten grote vraagtekens bij de keuzen die in de afgelopen decennia in Zuid-Holland zijn gemaakt, en wel in het bijzonder in de zuidvleugel.

Tussen de Noordzeekust en de Hollandse IJssel is een onafzienbare, welhaast amorfe huizenzee ontstaan die aan de burgers die er wonen nauwelijks gelegenheid geeft zin voor landschap en gehechtheid aan de eigen regio te ontwikkelen. Tegelijkertijd heeft deze (in vele nota's steeds bestreden) suburbanisering de bestaande stedelijke gebieden niet behoed voor overdreven "inbreiding".

Meer dan in enige andere Nederlandse regio is m.n. in de Haaglandse regio gebouwd. In luttele jaren is de bevolking er met 3% toegenomen.

Desondanks blijft de economische groei (een begrip dat met veel meer nuance moet worden gehanteerd dan de cowboy-economen van de angelsaksische traditie plegen te doen) van de zuidvleugel achter bij andere randstadregio's waar vreemd genoeg de landschappelijke teloorgang lang niet in die mate om zich heen gegrepen heeft.

Een conclusie hieruit is dat de relatie tussen stedelijke en landschappelijke ontwikkeling aan de ene kant en economische ontwikkeling aan de andere kant veel ingewikkelder is dan "men" voor het gemak aanneemt. Om het met een voorbeeld te illustreren: als men denkt dat men door het opentrekken van blikken bedrijventerreinen welvaart (laat staan: duurzame welvaart) creëert, dan slaat men de plank ver mis. Adriaan Geuze &endash; en wij met hem &endash; vermoedt zelfs dat er een omgekeerd evenredig verband tussen verrommeling en economische ontplooiing is: waar het landschap aantrekkelijk is gebleven heeft de economie zich beter ontwikkeld. Derksen (Ruimtelijk PlanBureau) fulmineerde in maart nog tegen de neiging van provincies en gemeenten om veel te veel én veel te goedkope bedrijvenlocaties op de markt te zetten. Dat schept niet alleen de "dozenstroop" en een landschap waar de goedkoopte van is af te lezen, het frustreert ook de zo gewenste innovatie, niet alleen in ruimtegebruik, maar ook in logistiek en bedrijfsvoering in het algemeen. We horen zulke geluiden nu overigens ook opklinken uit het bedrijfsleven, waar men zoals gebruikelijk wetenschappelijke inzichten weer eens veel te laat oppikt.

We noteren hierbij dat economische groei twee componenten heeft: de ene is de bevolkingsgroei, de andere is de toename van de productiviteit. Alleen de laatste is wezenlijk &endash; en daarmee is meteen verklaard waarom de economie in de zuidvleugel zo inert is en dat het provinciaal bestuur er op een verkeerde manier iets aan probeert te stimuleren. Men kan het gebrek aan innovatie verdoezelen (zoals in de VS gebeurt) door het bevolkingscijfer op te jagen, huizenzeeën te bouwen, dozenstroop en glas tot in de diepste polders verkopen als innovatief-met-water-plannen, maar het is een wel erg armoedig concept. Met een ontredderd landschap tot gevolg.

 

2.

Behalve deze opmerkingen over dé strategische kant van het ontwerpbeleidsplan gaan we nog kort in op wat onderwerpen uit de verschillende delen van het ontwerp.

Groen

p. 58 Groen in en om de stad

In de paragraaf met deze titel speelt het groen in steden eigenlijk geen rol, men kan dus beter het kopje veranderen in Groen bij de steden of zoiets. Nog beter is het het stedelijk groen in het plan juist wél te behandelen, bijvoorbeeld in de trant van het rapport van de Raad voor het Landelijk Gebied Recht op Groen (RLG 05/6, juni 2005 Advies over de groene kwaliteit van de openbare ruimte). Zoals we hierboven al aanstipten, kan de burger absoluut niet gerust zijn op de manier waarop gemeentebestuurders met het concept van de "compacte stad" omgaan.

p. 63 Groene Hart

Commentatoren, vooral die uit de hoek van de Deltametropool, stedebouwkundigen en architecten, beoordelen het Groene Hart als saai. Het Groene Hart van de randstad is ook saai … als men het beleeft vanuit een auto op een of andere autosnelweg. Men moet deze klacht net zo beoordelen als een slager die verkondigt van groente en vis niet goed voor ons zijn. Want die ontwerpers van stadswijken en gebouwen willen met de "lege" ruimte aan de slag, die zien het als een vel wit papier. Maar laat u niet misleiden. Het groene hart van Holland is niet saai. Wie het op de fiets of wandelend doorkruist, kan er met volle teugen genieten.

p. 65 Glastuinbouw: niet grondgebonden?

Glastuinbouw wordt altijd en ook in deze nota tot de niet-grondgebonden lanbouw gerekend. Het is wonderlijk hoe met deze karakterisering in de praktijk wordt omgegaan. Er is geen sector die immer zozeer ruimteclaims "neerlegt", grote oppervlakken grond dus. Het lijkt ons voor de sector een kansrijke uitdaging om de kwalificatie niet-grondgebonden nu eindelijk ook eens waar te maken.

Wij willen het provinciebestuur verder adviseren om - een oud stokpaardje van ons - het totale areaal aan glastuinbouw en 'gewone' bedrijventerreinen te maximeren.

p. 68 Biodiversiteit

De bloemrijke akkerranden zoals die in het kader van het biodiversiteitsbeleid in 2005 in de Hoekse Waard zijn gestart kunnen op onze onvoorwaardelijke steun rekenen. Het landschap fleurt er spectaculair mee op, terwijl de ecologie in het akkerbouwbedrijf een plaats krijgt (natuurlijke bestrijding van plaagdieren, minder milieubelasting van de sloten). Bij deze projecten dient men er wel voor te waken de akkerranden in te zaaien met exoten, want die - hoe mooi bloeiend ook - bieden in het algemeen toch een minder geschikte habitat voor de prederende insecten.

Water

a. (p. 94) Bij de voorkeur voor zachte (in zand uitgevoerde) en zeewaartse versterkingen van de kust boven harde en landwaartse versterkingen suggereert dat een landwaartse oplossing altijd een "harde" oplossing zou zijn. Dat is niet het geval. Het is denkbaar dat op de plaats van zwakke schakels een slufter wordt gemaakt waar de zee weer vrij toegang krijgt en waar sedimentatie en nieuwe duinvorming zal kunnen optreden. Het is op de termijn waarop we de kustprocessen ook moeten beschouwen ( 100 jaar) een oplossing om van te watertanden …

b. (p. 103) Met het voortzetten van de muskusrattenbestrijding laat het provinciebestuur zien dat argumenten van welbegrepen eigen belang van jagers en boeren meer invloed hebben dan wetenschappelijke. De onbegrijpelijke wreedheid van het omgaan met deze fraaie dieren grijpt ieder fatsoenlijk mens bij de keel. Men hoeft voor een equivalent van zeehondenknuppelen niet naar Canada. Maar dat deze gesubsidieerde wreedheid ook nog eens alleen tot gevolg heeft dat er alleen maar meer muskusratten en vooral muskusrattenvangers komen, maakt ons sprakeloos.

c. (p. 115) Dat de peilbesluiten van waterschappen breder georiënteerde documenten worden, juichen we zeer toe. Dat neemt niet weg dat de invoering van het GGOR (gewenst grond- en oppervlaktewaterregime) niet zonder gevaren is. Het peil van het oppervlaktewater is veelal goed te beïnvloeden, maar het grondwaterpeil is in klei- en veengebieden vooral afhankelijk van neerslag en verdamping en nauwelijks afhankelijk van het slootpeil. Met maatregelen als begreppeling en drainage is daar nog wel wat in bij te sturen, maar dat versterkt weer eens de kunstmatigheid en vermindert de robuustheid van het systeem. Bij dat alles erkennen de hydrologen dat de kennis van grondwater en grondwaterstroming nog veel lacunes kent.

Haaks op deze technische regelzucht staat de beleidslijn van "functie volgt peil", waarover de betrokken partijen voor de Krimpenerwaard zeer onlangs (nieuwsbrief Groen, Water en Milieu 2006/1) een doorbraak bereikten, en daar zien wij veel meer in.

 

Om te besluiten herinneren we aan de uitspraak van een provinciale topambtenaar die, ondervraagd in een televisieprogramma door Adriaan Geuze, verzuchtte dat men toch niet moest denken dat leden van het provinciaal bestuur daarin geïnteresseed zijn. Een schrijnende uitspraak. Er zal toch niet iets van waar zijn?

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent

Met vriendelijke groeten,

 

Jacques Schievink

Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

 

 

Deze brief is binnenkort tevens te vinden op http://ind.datadelft.com/bgwm.htm

Het commentaar op het Beleidsplan Water en Milieu (2000) is te vinden op http://ind.datadelft.com/beleidsplan_milieu_en_wate.htm

Het commentaar op de Haaglandse nota "Met allure naar 2020" staat op

http://ind.datadelft.com/structuurplan_haaglanden.htm

Voor onze kritiek op een niet gepubliceerde evaluatie van de NUP (Nota Uivoering Peilbeheer) verwijzen wij naar de tekst op http://ind.datadelft.com/nieuwsbrief39addendum.htm#NUP


Laatste wijziging: 11 april 2006, netplek Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | ind@datadelft.com