(Ontwerp) Beleidsnota Water provincie Zuid-Holland

voor commentaren op beleidsplannen Milieu en Water van 12 maart 1998 en van 30 april 2000 zie hier.

plannen van de Initiatiefgroep en reacties op plannen

Delft, 10 april 2005

Betreft: commentaar Ontwerp Beleidsnota Water

Aan Gedeputeerde en Provinciale Staten van de Provincie Zuid-Holland
Postbus 90602
2509 LP Den Haag

Geacht college,

Als de Ontwerp Beleidsnota Water van het provinciaal bestuur van Zuid-Holland iets demonstreert, dan is het wel verwarring. Aan de nota is, blijkens een mededeling in de nieuwsbrief Groen, Water en Milieu van maart, een "waterdiner" vooraf is gegaan, en het is niet onmogelijk dat het een rijk, niet alleen met water besproeid diner is geweest.

Vooral de hoofdstukken 2 (Sturingsfilosofie Water) en 3 (Toepassing sturingsfilosofie) worden ontsierd door grote stukken nietszeggend managementjargon, die wel uit een boekje lijken te zijn gekopieerd. Alleen met grote inspanning is daar iets zinnigs of tegenstrijdigs in te ontdekken.

De kreet "ontwikkelingsplanologie" is opvallend aanwezig in de tekst om de rol, die het provinciaal bestuur voor zichzelf ziet in het waterbeheer, nader te bepalen, In de eerste plaats is dat al wonderlijk omdat dit modieuze begrip met de nota Ruimte zijn intrede heeft gedaan in het ruimtelijke-ordeningsbeleid. Hoezeer het waterbeleid ook van alles te maken heeft met ruimtelijke-ordeningsbeleid, het is bepaald niet hetzelfde. De benadering van de ontwikkelingsplanologie (die in de nota toch vooral uitwerking krijgt in de richting van afschuiving van verantwoordelijkheden, zoals bij grondwater en uitvoeringsaspecten van de deelstroomgebiedsvisies) biedt dus hoe dan ook geen uitweg.

In de tekstuele acrobatiek van de hoofdstukken 2 en 3 is slechts af en toe een sprankje relatie met de werkelijkheid te ontdekken. "Niet uit het oog moet worden verloren dat de provincie naast de regie- en ontwikkelrol, ook toetser (goedkeuring en vergunningverlener) en toezichthouder op waterschappen en gemeenten is en blijft." Dat is al gecompliceerd genoeg. De provincie die totnutoe een simpel beleidsveld als peilbeheer niet goed tot ontwikkeling wist te brengen (de tekst over de evaluatie peilbeheer op p. 19 is wel erg zuinig als weergave van het ook voor de provincie vernietigende rapport), tilt aan dit mijnenveld van bevoegdheden niet zwaar: "In de praktijk is de mogelijke onduidelijkheid over de verschillende rollen van de provincie niet helemaal uit te sluiten maar wel in te perken door helder met andere partijen per project te communiceren over de rol van de provincie per fase." (p. 12). Dat ziet er veelbelovend uit!

Op diezelfde p. 12 is een andere mistigheid te vinden. "Zo zijn alle door de Rekenkamer onderzochte beleidsvelden achter de praktijk aan het hollen, terwijl de burger bereid is te betalen voor tastbare activiteiten die bijdragen aan zijn welzijn. De opgave ligt, ook voor water, in een gezonde verhouding tussen papieren overpeinzingen en afwegingen en praktische daden. Wat maatschappelijk uiteindelijk telt is een waterhuishouding die ruimtelijke ontwikkelingen concreet faciliteert en niet frustreert."

Wat bedoeld wordt met "een waterhuishouding die ruimtelijke ontwikkelingen concreet faciliteert" moet wel betekenen dat het provinciaal bestuur zich van de fysieke beperkingen en mogelijkheden van bodem en water weinig wenst aan te trekken als het gaat om occupatie en bestemmingen toe te staan of als medeparticipant te ontwikkelen. Maar op de volgende bladzijde al lezen we: "Een meer op de lagenbenadering gestoeld ruimtelijk beleid draagt er toe bij dat het waterbeheer meer op ruimtelijke maatregelen steunt in plaats van louter technische", en dat is, ondanks de afzwakkende woordjes "meer", het tegenovergestelde.

Bestuurlijk wordt het waterbeleid er verder niet helderder op als er in 2006 bestuursakkoorden komen "op basis van regionale waterplannen van gemeenten, waterschappen en provincie." (p. 15). Nog weer meer akkoorden! En "De afspraken worden grotendeels zelfstandig opgepakt door de gemeenten en de waterschappen. Met deze aanpak wordt beoogd het gat op te vullen tussen de deelstroomgebiedsvisies en de uitvoering van daaruit voortvloeiende ruimtelijke wateropgaven." Wat de provincie dan nog ziet als zijn rol bij het opvullen van het beschreven gat, is een niet erg duidelijk.

De tekst over de Kaderrichtlijn Water vinden wij evenmin inspirerend. We zijn niet tegen een pragmatische benadering, maar typeringen als "haalbaar" en "betaalbaar" als grenzen van wat op het gebied van waterkwaliteit bereikt kan worden, wekken de verdenking dat men de heilige koeien van het intensievere grondgebruik (verstedelijking, bedrijventerreinen, glas, intensieve landbouw) zeker voorrang zal willen geven.

Bij de afkoppeling van schone stedelijke oppervlakken van het rioolstelsel (p. 23) is opvallend dat het provinciaal bestuur een achterhoedepositie wil innemen. "Een openstaande vraag is of afkoppelen alleen in nieuw stedelijk gebied moet worden nagestreefd of ook in bestaand gebied." Die "openstaande vraag" gaat er aan voorbij dat in tal van situaties in bestaand stedelijk gebied zich bij renovaties tal van mogelijkheden voordoen om met weinig extra kosten - zeker niet groter dan de besparingen voor de zuivering - afkoppeling te realiseren. De praktijk in veel steden gaat ook al aanzienlijk verder.

Voor het Westland (p. 24) kiest de beleidsnota voor een historisch gesproken weerbarstige weg van de aanpak door aanlsuiting van glasbedrijven op het riool. In de eerste plaats gaat dit voorbij aan de mogelijkheden van het waterstructuurspoor om de verontreinigingen met een uitgebreid stelsel van oevers en moerassen op te vangen en afdoende natuurlijk te zuiveren, voor zover brongerichte technieken niet toereikend zijn (gesloten systemen worden al 20 jaar in het vooruitzicht gesteld, maar zijn nog steeds ver weg). Het is helaas weer de technische, niet de ruimtelijke benadering, die in eerste aanleg tenslotte ook met het IOPW was opgezet en die naar het schijnt roemloos ten onder is gegaan. De technische benadering biedt boendien geen oplossing voor de vluchtige verontreinigingen die via de atmosferische route de kassen verlaten en het milieu belagen.

Tesnlotte de tien punten van de wateragenda 2005-2006. Op vijd ervan geven we nog wat specifiek commentaar.

2. "Uitwerken Kaderrichtlijn Water als maatschappelijke opgave"

We vinden dit een merkwaardige versmalling van de opgave die de Kaderrichtlijn Water stelt. Maatschappelijke kanten zitten er zeker volop aan, maar landschappelijke en ecologische aspecten zijn o.i. de meest bepalende.

6. "Inzetten op waterneutraal bouwen in 'diepe polders'" en

8. "Water door laten klinken in de Zuidplaspolder"

Regering en provincie hebben zich met het doorzetten van Westergouwe wel heel weinig bewondering geoogst en de consensus over het Nederlandse waterbeleid die er sinds 2000 was (WB 21e eeuw) grote schade toegebracht.

In het blad De Water van november 2004 stelde de redactie aan een panel van deskundigen de vraag: "als Zuid-Holland glastuinbouw in de Zuidplaspolder toestaat, is de provincie aansprakelijk voor latere hoogwaterschade". Het antwoord van prof. Alfred van Hal was een welsprekend "ja": " Hoe is het in vredesnaam mogelijk: overheden die door henzelf geïnitieerd of onderschreven beleid aan hun laars lappen? (…) Alsof we niets geleerd hebben, vervallen we in dezelfde fouten. Hoezo voorzordbeginsel? (…) En erger: de overheid organiseert haar eigen onbetrouwbaarheid. De stelling is juist, en ik raad de waterbeheerder aan per brief te bevestigen dat alle schadeclaims - nu en in de verre toekomst - voor de provincie zijn. Arrogantie kost geld. (…) De watertoets lijkt hier een wassen neus te zijn. Shame on you!"

7. "Omgaan met water en bodem in veenweidegebieden"

De nota Uitvoering Peilbeheer uit 1998 dient niet alleen herzien te worden om op basis van betere kennis van de relaties tussen slootpeilen, grondwater en bodemdaling in de verschillende seizoenen een beter peilbeheer te ontwerpen, maar ook een einde te maken aan de te vrijblijvende omgang met de afspraken..

10. "Verkennen blauwe ontwikkeling Westland/Midden-Delfland

Een dergelijke verkenning kan zeker nuttig zijn. Vooral wat het Westland betreft zijn initiatieven die ertoe bijdragen dat het gebied de kwalitatieve en kwantitatieve wateropgave op eigen grond realiseert bijzonder welkom. Niet alleen de watergangen en andere waterpartijen in het gebied zijn klein en vaak steriel, ook in de politieke cultuur ontbreekt het dikwijls aan zelfreinigend vermogen.

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent

Met vriendelijke groeten,

Jacques Schievink

Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft


Laatste wijziging: 19 april 2005, netplek Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | ind@datadelft.com