ABC Delfland

Aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Delfland
t.a.v. de heer J.J.J.M. van der Burg
Postbus 3061
2601 DB Delft

Delft, 26 juli 2000

Geacht college,

naar aanleiding van de informatie, die u ons en vertegenwoordigers van andere natuur- en milieuorganisaties op de avond van 13 juni verstrekte over de planvarianten om de problemen in de Delflandse waterhuishouding het hoofd te bieden, geven we u graag het volgende commentaar.

De meeste van de gepresenteerde 10 varianten bieden een mengeling van strikt technische maatregelen en van maatregelen die wij als 'structuurverbeterend' zouden willen aanmerken.

De technische maatregelen betreffen vergroting van de bemalingscapaciteit van boezem naar buitenwater en van verbetering van de afvoermogeljkheden in het bijzonder in het gebied met de grootste knelpunten: het Westland. Hoewel deze maatregelen onontkoombaar lijken, vragen we aandacht voor het welhaast psychologische verschijnsel dat zulke technische maatregelen alleen al een hoge prioriteit krijgen omdat ze

Andere en (bestuurlijk) moeilijker tot stand te brengen maatregelen, die wel een hoge robuustheid hebben, worden daardoor vaak te gemakkelijk naar achter geschoven.

In sommige kringen (van enkele vertegenwoordigers van de WLTO bijvoorbeeld) was na de wateroverlast van september 1998 te beluisteren dat de wateroverlast te wijten was geweest aan te late en te weinig bemaling; in die simpele voorstelling van zaken werd niet gerept van de ruimtelijke veranderingen die zich voortdurend in Delfland voltrekken en van de extreme neerslaghoeveelheden waar de waterhuishouding niet op berekend was. Het zou buitengewoon kortzichtig zijn (want terugschrikkend voor een duurzame oplossing) als deze gemakzuchtige geluiden bij de beoordeling van de varianten in Delflands bestuur de richting van de besluitvorming zouden bepalen.

Het staat o.i. buiten kijf dat de 'technische' maatregelen moeten worden geflankeerd door - liever nog: flankerend zijn voor - meer ruimte voor de berging van water in onze regio, deels in de vorm van bergingspolders waar een tijdelijk overmaat aan boezemwater kan worden opgeslagen, deels toch ook in de vorm van vergroting van de boezem zelf. Bij bijvoorbeeld het Oranjekanaal zijn er mogelijkheden en zelfs langs de oevers het Rijn-Schiekanaal en van andere boezemkanalen doen zich nog enkele bescheiden mogelijkheden voor, die behalve ruimte voor meer bergingscapaciteit ook ruimte bieden voor interessantere oevers. Een ruwe schatting levert enkele tientallen hectares boezemruimte op. Doorgaans betreft het gronden die een recreatieve functie hebben (en die functie bij slim ontwerp kunnen behouden). Het gaat dan weliswaar om hooguit 5 à 10% van de berging die gezocht wordt, maar juist de schijnbaar marginale verruiming van de boezemberging is bijzonder effectief. Het kan in omstandigheden van extreme neerslag bijvoorbeeld een maalstop en/of het inunderen van bergpolders belangrijk doen uit- of afstellen.

Principieel speelt hier voor ons een rol dat in het (stads-)landschap van en langs de boezem zichtbaar wordt dat letterlijk ruimte voor water wordt gemaakt. Deze functie van het landschap wordt daardoor voor de bewoners en recreanten beter herkenbaar gemaakt. Dat waterbesef bij burgers kan het draagvlak voor het waterschapswerk ten goede komen.

De oprukkende bebouwing in ons gebied zet de oplossing van het waterkwantiteitsprobleem onder grote druk. Aan de ene kant kan meer bebouwing een verslechtering van de hydrologische karakteristiek van het gebied tot gevolg hebben, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn. Als bij het ontwerp van de stedelijke oppervlakken (daken, verhardingen in de stedelijke ruimte) voldoende rekening wordt gehouden met waterretentie (niet alleen het vasthouden, maar ook de vertraging van de afsrtoming), dan kan de bebouwing 'waterneutraal' zijn. Het waterschap komt de rol toe hierover te waken en creatief samenspel te ontwikkelen met de instanties die dichtheid en aard van de bebouwing tot nu toe alleen bepaalden.

De verdere verstedelijking zorgt ook voor een opwaartse druk op de prijs van grond en grondgebruik, en in dat perspectief is het verstandig investeringen in ruimtevragende oplossingen voor het waterkwantiteitsprobleem niet te veel uit te stellen.

In deze reactie maken wij uit de tien summier gepresenteerde alternatieven nog geen keuze. Het materiaal dat ons daarvoor ter beschikking staat is te summier. Onze reactie geeft de wel de denkrichting aan die wij bij het maken van de keuzen voorstaan.

Het lijkt erop dat die richting ook terug te vinden zal zijn in het advies van de Commissie Waterbeheer 21e Eeuw (zie hun nieuwsbrief nr. 5 (p. 5) of H2O / 14&15 (p. 5)) dat in september zal verschijnen. Het ligt o.i. voor de hand de aansluiting bij het definitieve advies van die commissie in de besluitvorming van Delfland zorgvuldig te bepalen, ook al omdat Delfland's problemen voorwerp van onderzoek zijn van die commissie. Het ziet er naar uit dat het mogelijk is dat te doen zonder dat de uitvoering van ABCD noemenswaardige vertraging oploopt.

Maar niet alleen de aansluiting bij het werk van de bovengenoemde Commissie is van belang, ook ten opzichte van andere onderwerpen en thema's, die zowel in de 4e nota Waterhuishouding als naar aanleiding van de wateroverlast van 1998 zijn geaccentueerd, is een zorgvuldige plaatsbepaling van belang:

Tenslotte laten wij weten dat het ons teleurstelt dat een regionaal verband als de Groene Contactgroep Haaglanden niet voor de Klankbordgroep van ABC Delfland is gevraagd. De natuur- en milieuorganisaties zijn weliswaar vertegenwoordigd door het Zuid-Hollands Landschap &endash; een participatie waas wij niets tegen willen inbrengen &endash; maar daarmee wordt voorbijgegaan aan de regionale betrokkenheid, gebiedskennis en -visie die in die contactgroep zo ruim voorhanden zijn.

Vertrouwend u hiermee van dienst te zijn geweest, tekent

 

Met vriendelijke groeten,

Namens de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft,

 

netplek Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft | ind@datadelft.com