naar beginpagina van deze website

5e nota Ruimtelijke ordening

commentaar van 14 mei 2001

Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

samenwerking van Commissie Natuur en Milieu, Imkervereniging, IVN, Milieudefensie, Milieukompas, Natuurwacht, Vogelwacht en Werkgroep Groenbeheer Nootdorp-Leidschendam | contactadressen: Leen van Doorn, Bizetstraat 23, 2625 AV Delft, tel. (015)2561141, Gert Jan Majoor, Gandhilaan 67, 2622 GD Delft, tel. (015)2617728, Bertus Laros, Oostblok 160, 2612 PG Delft, tel. (015)2140836 en Jacques Schievink, Maerten Trompstraat 17, 2628 RB Delft, tel. (015)2617035 (werk: (015)2782124; fax (015)2787585; e-mail ind@datadelft.com

Inspraakpunt Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening
Postbus 1354
3800 BJ Amersfoort

Geachte heer Pronk,

ons commentaar op uw concept voor de 5e nota Ruimtelijke Ordening bevat enkele kanttekeningen vanuit ons regionaal perspectief, zonder daardoor een regionaal karakter te hebben overigens. Zij moeten worden gezien als een aanvulling op de reacties van de Stichting Natuur en Milieu en de 12 milieufederaties en gaan - kortheidshalve - uitsluitend in op de PKB.

De tekst van deze reactie staat - geïllustreerd - ook op het internet: deze webpagina.

1.

De verdienstelijkheid (de kwalificatie "bevlogenheid" gaat wel wat te ver) van uw concept wordt ernstig ondermijnd door het gebrek aan instrumentele invulling. Veel nadere invullingen en in te zetten instrumenten worden naar een toekomstige fase van de planvorming verschoven. Maar misschien - zo werpen wij onszelf tegen - is dat wel een meesterzet, omdat deze uitstelmanoeuvre tal van critici in het geweer heeft gebracht (w.o. de VROM-raad en de Tweede Kamer) die u bezweren tot straffere maatregelen tot bescherming van de open ruimte en die de positie van de minister van VROM tegenover o.a. de collegae van Economische Zaken en Verkeer en Waterstaat in tweede instantie sterker maken.

2.

Voordat we u enkele belangrijke regionale onderwerpen (zie onder 3.) voorleggen brengen we enkele algemene observaties onder de aandacht.

a. Als antwoord op de onthutsende ontwikkeling van de mobiliteit wordt door overheden en de lobby van het bedrijfsleven (zie bijvoorbeeld de reactie van de vijf randstedelijke Kamers van Koophandel) onveranderlijk aangedrongen op de uitbreiding van de verschillende vervoersmodaliteiten. Het is immer én-én. Wat het bedrijfsleven betreft lijkt het er sterk op dat men denkt dat als maar voldoende mede wordt gepleit voor openbaar vervoer, het meerdere gewenste asfalt er eerder komt; het pleidooi voor OV hangt er altijd als een schijnheilige legitimatie bij.

Op enige wetenschappelijke basis rust dit alles niet. Meer autowegen - die bovendien niet op redelijke termijn te verwezenlijken zijn - lossen de bereikbaarheidsproblemen van bijvoorbeeld de Randstad niet op, omdat nieuwe capaciteit nu eenmaal navenant meer autoverkeer uitlokt. Bij het "accomoderen" van de vervoersvraag is er dus maar één oplossingsrichting: een zwaarder accent op openbaar vervoer.

b. Het is een gemis dat de VINEX niet uitvoerig wordt geëvalueerd. Het is immers niet erg fouten te maken, maar wel om er niet van te leren.

De decentralisatie uit het concept van de 5e nota is in het licht van de ervaringen met de 4e nota op zijn minst kwestieus. In onze regio kunnen we daar spectaculaire voorbeelden van vinden. We denken aan enkele VINEX-locaties die in de vierde nota slechts als opties voor de periode na 2005 waren voorzien, maar die in het regionale krachtenspel op een buitengewoon dubieuze manier naar voren zijn gehaald en die de regionale planologie nog ernstig in de weg zullen zitten (zie Groenblauwe Slinger).

Een regie van rijkswege is overal daar onmisbaar, waar de planologie dreigt te worden gevoerd vanuit de belangen van gemeentelijke grondbedrijven en het provinciale toezicht te wensen overlaat omdat de provinciale politiek te zeer verweven is met die van de gemeenten.

c. Wij geven de voorkeur aan het criterium "ecologisch verantwoord" boven het zoveel misbruikte "duurzaam". Het kwalitatief en kwantitatief handhaven en versterken van ecosystemen - met erkenning van alle dynamiek die ecosystemen nu eenmaal hebben - biedt o.i. een zinvoller criterium voor veranderingen van stad- en landschappen. Het is bovendien niet zo antropocentrisch als de versleten duurzaamheidsformule.

d. In het PKB ontbreekt verbijsterend genoeg een voorstel over veehouderij en akkerbouw in het hoofdstuk over de landbouw of het hoofdstuk over de kwaliteit in stad en land. Een visie op de landbouw ontbreekt.

Het is bon ton om te denken dat o.a. door

- de toekomstige toetreding van de Oosteuropese landen tot de EU,
- verdere openstelling voor de wereldmarkt, en
- de bodemdaling door ontwatering als gevolg van agrarisch gebruik

de landbouw in Nederlands laagveengebied geen toekomst zou hebben. Wij beschouwen dat als goedkope propaganda van belangengroepen die zoveel mogelijk belemmeringen voor verstedelijking willen opruimen. De Nederlandse delta blijft o.i. ook op lange termijn geschikt voor voedselproductie, zo veel mogelijk in combinatie met landschapszorg, natuurontwikkeling, waterbeheer en recreatie. In een project aan de oostkant van Delft, proberen wij samen met een veehouder en de gemeente Delft te laten zien, hoe zo'n visie er in een verstedelijkt gebied uit kan zien. Maar het betekent voor de ecologisch verantwoorde agrarische onderneming ook: veel meer grond. (Bieslandse Bovenpolder (1997,uitgevoerd 2000)).

Zeespiegelstijging en bodemdaling maken op lange termijn verzilting van delen van het westelijke laagveen onvermijdelijk. Maar ook dan is o.i voedselproductie, zij het van zoutverdragende gewassen en zelfs veehouderij, in het gebied blijvend mogelijk.

3.

Wat de regionale ruimtelijke ordening betreft brengen we gaarne nog hetvolgende onder uw aandacht:

[PKB c18] Glastuinbouwgebieden in het Westland en Aalsmeer worden al te gemakkelijk als verouderd afgedaan. Er bevinden zich zeker verouderde bedrijven, die er met smacht op wachten voor een aantrekkelijk bedrag uitgekocht te worden. Wij maken er wel bezwaar tegen dat grote bedrijven, met niet zelden 2 tot 5 ha monocultuur, als modern worden afgeschilderd. Integendeel, de ontwikkeling van zulke bedrijven op "moderne" locaties beschouwen wij als vele stappen terug, als hopeloos ouderwets.

Glastuinbouw: zoals het uit de hand kan lopen (Westland) en

zoals het in de WLTO voorlichting in beeld wordt gebracht.

De ruimtelijke kwaliteit, de afwenteling van de gevolgen van de waterbeheersing, en de economische eenzijdigheid (dikwijls godbetert ook nog vastgelegd in gemeentelijke voorschriften) laten juist een uit de hand gelopen ontwikkeling zien die nu ook op 'nieuwe' lokaties in prakijk wordt gebracht. Ook daar is van een redelijke benadering van de eis areaal glas : gebiedsoppervlak = 1:2 [PKB c19] in het geheel geen sprake, en dus dreigt het ontstaan van nieuwe Westlanden op de nieuwe lokaties.

Deze te betreuren ontwikkeling heeft zeker te maken met het terrein dat de sierteelt wint op de voedselproductie en de kapitaalaccumulatie die daar plaatsvindt. De sierteelt beslaat nu al bijna 60% van het Zuid-Hollandse areaal, en als u bedenkt dat een ecologisch verantwoorde teelt van siergewassen veel verder weg is dan van voedselgewassen (doorgaans energie-intensieve vruchtgewassen) dan wordt duidelijk dat de autonome ontwikkelingen in de glastuinbouw zorgen blijven baren, ook al heeft de provincie Zuid-Holland het areaal glas op 5800 ha begrensd.

Desondanks zijn wij voorstander van rijksbemoeienis met het Integraal Ontwikkelingsplan voor het Westland (IOPW), zo mogelijk in samenhang met de ontwikkeling van landwaartse (zeewaarts is nagenoeg zoiets als het willen opheffen van de zwaartekracht) kustontwikkeling langs de zwakke duinkust tussen Den Haag en Hoek van Holland. Daarbij moet wel bedacht worden, dat ondernemers die veel verdiend hebben aan de armzalige ontwikkeling van het Westlandse gebied, niet opnieuw voor hun wanbeheer beloond moeten worden.

[PKB c11]

GroenBlauwe Slinger

De provincie Zuid-Holland heeft met het concept voor de GroenBlauwe Slinger een goed ecologisch en recreatief plan neergelegd. Het plan brengt samenhang in een S-vormig groen en nat gebied tussen Vlaardingen-Maassluis en het gebied bij Alphen a/d Rijn. Helaas - we hebben het onder 2b al gememoreerd - de provincie laat telkens zien dat het vasthouden van de uitgangspunten bij haar niet in goede handen is. Stadsuitbreidingen van Pijnacker (zelfs op locaties die pas na 2005 in beeld zouden komen) laat men zich welgevallen en het Chinees themapark bij Zoetermeer zou ook al een streep door dit plan hebben gehaald. De uitwerking door de provincie van het gebiedsdeel ten oosten van Pijnacker (de 'Groenzone') lijkt ook al nergens op, omdat de ecologische ambities van het totaalproject niet meer in de gebiedsuitwerking terug te vinden zijn.

Het reconstructiegebied Midden-Delfland is het zuidelijke kerngebied van deze slinger. Daarin is een doorsnijding van een verlengde A4 uitermate ongewenst. De harde doorsnijdingen van het groene gebied in de zuidvleugel van Zuid-Holland hebben o.i hun grens bereikt. Het is een geluk bij een ongeluk dat een verlenging van de A4 via de lijn van het Oranjekanaal verkeerskundig zoveel effectiever is én Midden-Delfland ontziet. Het is slechts de koppig-dogmatische inslag van de A4-lobby - het consortium en Verkeer en Waterstaat incluis - die steun van die kant voor deze oplossing in de weg staat.

Wij gaan er verder van uit dat de provincie rond het gehele GBS-gebied binnen afzienbare tijd een groene contour zal trekken die nog iets van het concept Groenblauwe Slinger zal redden.

Het terrein van vliegveld Valkenburg dient o.i. zijn landschappelijke karakter te behouden. Het is, gelegen aan de binnenduinrand bij Wassenaar en Katwijk, een ecologisch rijk gebied en tal van recreatieve mogelijkheden. Een woongebied op dit terrein betekent nagenoeg het aaneengroeien van Leiden met de Haagse agglomeratie. Als dat de consequentie is van de concepten "netwerksteden" en "deltametropool", dan mogen die wat ons betreft ook meteen weer op de schroothoop.

Een kansrijke, eventueel verruimde rode contour zien wij wel tussen Delft en Zoetermeer. Economische ontwikkelingen worden dikwijls gedacht langs A-12, A-13 en A-4, m.a.w. radiaal ten opzichte van Den Haag. Maar een tangentiale ontwikkeling langs de lijn Delft-Zoetermeer zal ordening en kwaliteit kunnen brengen in een verrommeld, Westland-achtig gebied in de zuidvleugel van de Randstad waar de gemeente Pijnacker de "regie" over heeft gevoerd. Hier zijn we weer terug bij onze kritiek op de decentralisatie.

Met vriendelijke groeten,

namens de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

Jacques Schievink


verwante onderwerpen op deze netplek:


Laatste wijziging: 14 mei 2001, ind@datadelft.com